Presentatie Boekman 81
Hester Macrander levert commentaar op de in Boekman 81 gepresenteerde cultuurvisies van de landelijke politieke partijen.
Bewerking van de bijdrage die Macrander uitsprak in de Stadsschouwburg Utrecht tijdens de Kunsten '92 conferentie "Kunst en cultuur in wijk, dorp en stad: geen luxe maar noodzaak. Gemeentelijk cultuurbeleid" op maandag 18 januari 2010.
Samen
Nu de kruitdamp van de verkiezing is opgetrokken gaat het om het formuleren van partijpolitiek overstijgend cultuurbeleid. Sla dan de vorige Boekman (81) er nog even op na, want dat is een handige gids om uw visie helder te krijgen waar de komende vier jaar beleid op gebaseerd kan worden.
Het artikel van Kees Vuijk (docent kunstbeleid en -management aan de Universiteit Utrecht) vat alle politieke standpunten samen en legt het kernprobleem op tafel. Dat is volgens hem: ‘een breed gedeeld gevoel van onbehagen over de positie die de kunsten in onze samenleving inneemt.' Daarom zegt hij: ‘zijn alle middelen geoorloofd om de kunst meer bij de samenleving te betrekken.' Dat is een inspirerend uitgangspunt.
Nog een partijpolitiek overstijgende oplossing voor het eeuwige gedonder met cultuurbeleid staat in het artikel van Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting: ‘Overheden moeten meer waarde toekennen aan informatie en ervaringskennis van de veldpartijen uit de kunstwereld, als bouwstenen voor en fine-tuning van het beleid.' Een productieve dialoog tussen kunst en politiek dus! Maar hij waarschuwt daarbij: ‘Cruciaal is het vermogen van de kunstwereld haar kennis te structureren en te bundelen,' want dat is een zootje (dat laatste zijn mijn woorden).
Het gaat er dus om dat de kunstwereld zichzelf organiseert, zodat wij de komende beleids- periode samen gaan optrekken met gemeentelijk beleidsmedewerkers en politici om vorm te geven aan een mooie wereld. Wat een fijn toekomstbeeld!
Nog eenmaal Cas S.: ‘Vanaf nu zijn kunstinstellingen en fondsen partners van de overheden en niet langer instanties die het beleid volgens opgelegde instructies uitvoeren.' Kunnen we dat hierbij afspreken? Dit pleidooi voor samenwerking tussen kunstenaars en politici werd in verkiezingstijd overigens het meest bepleit door de PvdA. Dus zoek daar uw bondgenoten.
Wat ons (kunstenaars en beleidsmakers) als eerste gezamenlijk te doen staat is een breder draagvlak creëren voor cultuurbeleid. Ik word altijd heel somber van brede maatschappelijke discussies over de plaats van ‘kunst en cultuur' in onze maatschappij. Dan doemt het beeld voor mij op van een mislukt ruimtelijk object in de openbare ruimte op een verkeersrotonde in een middelgrote provincieplaats in Nederland, waarvan iedereen, op een enkeling na, zegt: weet je wat dat heeft gekost? Altijd dat gevoel dat je het niet uitgelegd krijgt aan de gemiddelde koffieautomaat. Altijd die vraag: wat is toch het nut en de noodzaak van kunst en het geld dat we daarin stoppen? Zijn er niet veel dringender kwesties die onze aandacht en ons gemeenschapsgeld nodig hebben zoals: achter de geraniums verpieterende ouderen, overspannen mantelzorgers, door de Q-koorts getroffen geitenboeren, schooluitvallende Marokkaanse jeugd, baanbrekend onderzoek naar de bestrijding van kankercellen, onafgebouwde centrale stations (ik woon in Arnhem) etcetera. Hoezo geld voor kunst?
Op de een of andere manier begin je dan te stotteren en sta je met je mond vol tanden, terwijl je eigenlijk wil roepen; ‘Alleen kunst is het antwoord op alle voornoemde problemen! Er moet alleen maar geld naar kunst (en sport), al het andere kan je schrappen.' Dan word je weer niet serieus genomen.
Aangezien we niet knalhelder kunnen uitleggen waarom er een budget voor kunst nodig is, aangezien we dat niet tussen de oren van het ganse Nederlandse volk aan die koffieautomaten weten te krijgen, zijn we een permanent achterhoedegevecht aan het leveren. Dus krijgt de hele kunst- en cultuursector bij bezuinigingen altijd weer klappen. Zullen we nu eens niet bezuinigen op cultuur? Maar hoe wel?
Je moet naar mijn mening altijd oppassen met het subsidiëren van individuele kunstenaars, of groepen, want het ivoren toren-effect en het dus zich niet verhouden tot de samenleving en het navelstaarsyndroom ontstaat vrijwel meteen. Daar houdt de burger bij de koffieautomaat helemaal niet van, en terecht. Misschien hebben mensen wel een hekel aan kunst gekregen, omdat er te veel hyperindividuele kunstuitingen zijn gesubsidieerd, waar je geen touw aan vast kan knopen.
Uiteindelijk gaat het bij beleid trouwens om veel meer dan geld. De overheid kan voor voorwaarden zorgen waarin de cultuursector kan gedijen, zonder meteen te subsidiëren.
Er speelt momenteel overigens een belangrijk gezamenlijk belang voor beleids- en kunstmakers. Anno 2010 mag kunst weer meer bijdragen aan het maatschappelijk welzijn. Dat is weer in de mode. Een groot vraagstuk van onze samenleving is immers: toenemende vervreemding tussen burgers. Men belt liever een buurtbemiddelaar dan zelf een gesprek aan te knopen. In prachtwijken worden nu pogingen gedaan de leefbaarheid te verbeteren onder andere met kunstprojecten. Ik woon nu aan de rand van een prachtwijkje in Arnhem en daar werden op een paar mooie zomeravonden -in een poging het wijkje te boosten- foto's van de inwoners geprojecteerd op de gevels. Prachtig, ontroerend, mooi, goed. Geëngageerde kunst en een voorbeeld van samenwerking tussen maatschappelijke partijen en cultuur.
Wat vooral in dit hele cultuurbeleid zonder meer buiten kijf dient te staan is het belang van de kunstbeoefening voor iedereen: de kunsteducatie en de amateuristische kunst- beoefening. Die moet grif betaald worden, net zoals onderwijs en gezondheidszorg. Iedereen moet iets aan kunst doen, net zoals dat je moet bewegen. Dat is gewoon zorgdragen voor de fysieke en geestelijke gezondheid van de burgers. Dit besef mag wel wat meer doordringen tot het volk bij de koffie-automaat. Het beoefenen en consumeren van kunst staat gelijk aan het verwerven van wijsheid en geluk; je verzoenen met het leven. Mensen die kunst beoefenen zijn minder hebzuchtig, minder eenzaam, minder gericht op de gezondheidszorg en de AEX-index. Ze zijn gewoon lekker bezig, accepteren hun sterfelijkheid, en je hebt er geen last van, ze zijn van de straat.
Wat ook belangrijk is in het beleid: vanaf nu graag abstract taalgebruik vermijden! Wat bedoelen we precies als we het hebben over ‘kunst en cultuur' en de ‘cultuursector'? Is hiphop ook kunst? Of is hiphop een kunstje? Is de cultuursector ook wat nu heet: ‘de creatieve industrie': de wereld van design, mode, architectuur, cabaret op congressen, columns en kookworkshops? Dus kunst die wel geld opbrengt? Waar houdt dat op? Is de wereld van spirituele coaches, waar elke manager zich van bedient, ook creatieve industrie? En de popmuziekbusiness?
Over de popmuziek gesproken, dankzij internet volstrekt zich een revolutie. De macht van de platenmaatschappijen wordt doorbroken. Buiten overheidsbeleid en subsidiëring speelt zich spontaan de werkelijke vernieuwing af. En die is leuk. Ook schrijvers weten het internet naar hun hand te zetten en daarmee een publiek te bereiken, buiten de macht van de uitgevers om.
Ik zit nu te wachten op een doorbraak in de theaterwereld in het benutten van internet. Iedereen die een grote tuin heeft, of een ruime deel op een oude boerderij kan voorstellingen geven, of laten spelen en op internet aankondigen. Daarmee zijn we de verstokte en verstopte en veel te lange termijnprogrammering van schouwburgen te slim. Dat is wat ik het meeste mis: een netwerk van kleine podia in het land, waar theaterinitiatieven binnen drie maanden een kans krijgen zichzelf te tonen, in plaats van anderhalf jaar nadat je je eerste persbericht de deur uit hebt gedaan. Theater Netwerk Nederland, een gesubsidieerde reeks van kleine zalen door het hele land in de jaren '80, daar werd ik gelukkig van. De jaren dat we in Amsterdam op de Keizersgracht in de rij stonden voor het Shaffytheater, met haar vele zaaltjes... Komt die tijd ooit weerom? Weemoed...
In wat voor wereld leven wij? Ik ervaar het momenteel als overheersend conservatief, angstig, behoud van oude waarden, weinig vernieuwend en flexibel, weinig tolerant, weinig ruimte voor vernieuwing. Tegelijkertijd wordt deze werkelijkheid door internet ingehaald. Daar wordt die lange neus gemaakt naar de gevestigde kunstwereld. In de samenleving zelf integreert ondertussen de medemens met een andere culturele achtergrond en ik ervaar dat als verrassend nieuwe energie. Er gebeurt daar iets positiefs wat hopelijk nog grote gevolgen gaat krijgen.
In wat voor wereld leef ik? Ik leef voornamelijk tussen kunstenaars, die een vorm hebben gevonden om met hun werk op een aangepaste manier geld te verdienen in de ‘creatieve industrie' en die daarnaast tijd vrij maken voor vrij werk, wat ze op bescheiden schaal kunnen tonen, lezen, laten horen. Een enkeling kan van zijn kunst leven. De overheid faciliteert wat mij betreft vooral dat deze vorm van leven mogelijk is in de vorm van betaalbare werkruimtes, musea en podia. En uiteraard goed geoutilleerde culturele centra in het land waar je ook behoorlijk betaald wordt als docent kunsteducatie. Niet in van die armoe-troef gebouwtjes voor een hongerloon.
Kortom: er is genoeg te doen met elkaar.
reacties meer Hester Macrander
|