25 jaar Wet op het Specifiek Cultuurbeleid: lang zal ze leven? Verslag symposium Cultural Policy in the Polder

25 jaar geleden, om precies te zijn op 11 maart 1993, ondertekenden toenmalig koningin Beatrix en Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur Hedy d’Ancona de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid – een wet die een kwart eeuw later nog steeds de spil van het Nederlandse cultuurbeleid vormt. Om dit bijzondere jubileum niet ongemerkt voorbij te laten gaan, verscheen onlangs niet alleen de publicatie Cultural Policy in the Polder: 25 Years Dutch Cultural Policy Act, maar troffen op 30 oktober tevens wetenschappers, beleidsmakers, culturele professionals, studenten en vele andere geïnteresseerden elkaar op de Radboud Universiteit te Nijmegen voor een gelijknamig onderzoekssymposium. Gedurende de dag was de blik echter niet alleen op de afgelopen 25 jaar gericht, maar werd er ook gereflecteerd op het huidige cultuurbeleid én dat van de toekomst.

Het Nederlandse cultuurbeleid vanuit een buitenlands perspectief

Op een verjaardagsfeestje kan een compliment voor de gastheer of -vrouw nooit kwaad, en professor Birgit Mandel begon haar keynote Changes, challenges and strategies for cultural management and cultural policy under an international perspective dan ook met aardige woorden over het Nederlandse cultuurbeleid. Het transparante, rationele, flexibele en pragmatische van ons culturele bestel, in combinatie met de constante reflecties en de ruimte voor nationale programma’s op het gebied van participatie en diversiteit, maken het in veel opzichten tot een best practice. Tegelijkertijd kent het systeem beperkingen, zoals een grote nadruk op erfgoed, weinig mogelijkheden voor kleine initiatieven, een gebrekkige interactie tussen nationaal en regionaal beleid, een sterke focus op meetbare gegevens en een aanzienlijke invloed van partijpolitiek.

In haar lezing plaatste Mandel – naast haar academische werk onder andere vicepresident van de Duitse Vereniging voor Cultuurbeleid – het Duitse cultuurbeleid naast het Nederlandse. Om beide goed te kunnen vergelijken, gebruikte ze zeven ‘variabelen’ of ‘tegenstellingen’ die gezamenlijk een zeer bruikbaar handvat vormen om cultuurbeleid te kunnen typeren:

  1. Is cultuurbeleid centraal of decentraal georganiseerd?
  2. Wordt cultuur vooral door de staat of met private middelen gefinancierd?
  3. Betalen alle belastingbetalers mee aan cultuur, of alleen gebruikers?
  4. Richt het cultuurbeleid zich vooral op de intrinsieke waarden van kunst (‘kunst als doel’), of meer op maatschappelijke en economische waarden (‘kunst als middel’)?
  5. Beperkt het cultuurbeleid zich enkel tot de ‘traditionele’ kunsten, of worden ook ‘populaire’ cultuur en de creatieve industrie tot de culturele sector gerekend?
  6. Is het culturele bestel flexibel en staat het open voor innovatie, of verandert het door de jaren heen nauwelijks?
  7. Hebben internationale en supranationale overheden veel of weinig invloed op het nationale cultuurbeleid?

Het Nederlandse en het Duitse cultuurbeleid verschillen vooral op het eerste punt, en de punten vier tot en met zes van elkaar. Zo is in Duitsland het cultuurbeleid vrijwel volledig decentraal (op het niveau van de bundesländer) georganiseerd, is de intrinsieke waarde boven alle twijfel verheven, worden alleen de traditionele kunsten gefinancierd, en is subsidie in de praktijk vaak ‘voor eeuwig’. In Nederland is het cultuurbeleid daarentegen goeddeels nationaal geregeld, laait de discussie over de waarde van cultuur regelmatig op, maken ook de populaire kunsten deel uit van het bestel, en worden subsidies elke vier jaar opnieuw tegen het licht gehouden.

Een achtste variabele (die evenwel moeilijk als tegenstelling te verwoorden is) zou kunnen bestaan uit de doelen die cultuurbeleid nastreeft. Mandel liet zien dat hierin interessante verschillen bestaan tussen (groepen) landen. Zo bleek uit onderzoek dat het cultuurbeleid in westerse landen vaak tot doel heeft om cultuurparticipatie te vergroten, cultureel erfgoed te beschermen en sociale cohesie te bevorderen. In ontwikkelingslanden draait het juist veel vaker om het versterken van de democratie, het opbouwen van een nationale identiteit en het bevorderen van religieuze waarden.

Het slot van haar lezing had Mandel gereserveerd voor toekomstige uitdagingen voor het (inter)nationale cultuurbeleid. Die komen voort uit drie actuele ‘mega-trends’: globalisering, digitalisering en migratie. Al deze ontwikkelingen hebben immers grote gevolgen voor de kunst- en cultuursector. Globalisering leidt bijvoorbeeld tot een internationale kunstmarkt en kosmopolitische cultuurconsumptie, maar kan ook zorgen voor nationalistische tegenreacties – het verplichte schoolbezoek aan het Rijksmuseum kan wellicht als voorbeeld dienen. Als gevolg van digitalisering komen nieuwe culturele vormen en genres op, terwijl klassieke kunstvormen een deel van hun cultureel kapitaal verliezen. Migratie, tot slot, brengt een meer diverse bevolking voort, met ook meer diverse culturele voorkeuren en manieren om in cultuur te participeren.

Een belangrijk doel van toekomstig cultuurbeleid zal dan ook moeten zijn om de steeds grotere kloven die deze ontwikkelingen slaan tussen bevolkingsgroepen te dichten. Hoewel kunst en cultuur volgens Mandel de hiervoor benodigde bruggen kunnen bouwen, moeten we wel blijven nadenken over de manier waarop het cultuurbeleid hieraan kan bijdragen. Cruciaal daarbij is dat het cultuurbeleid zodanig wordt ingericht dat alle schaalniveaus er harmonieus in samengaan, dat het de toegankelijkheid van cultuur voor een cultureel diverse bevolking vergroot, en dat innovatie stimuleert. Dat het huidige systeem op deze doelen nog onvoldoende is ingericht, illustreerde Mandel ter besluit dan ook met een op Albert Einstein geïnspireerde spreuk: ‘You can’t solve existing problems with the same instruments that caused the problems’.

En de winnaar is…

Na de lunch en een muzikaal intermezzo van singer-songwriter Sander Bisselink, verplaatsten de deelnemers zich van de theaterzaal waar het ochtendprogramma had plaatsgevonden, naar de collegebanken om deel te nemen aan twee workshops naar keuze. Elk belichtte een ander aspect van het cultuurbeleid, met een grote diversiteit aan onderwerpen als gevolg. Het leidde tot interessante discussies in de lokalen en wandelgangen van het Erasmusgebouw, over onderwerpen als de taakstelling van publieke omroepen, de steeds breder wordende functie van bibliotheken, cultuureducatie en de waarden achter het Nederlandse theaterbeleid.

Na afloop van de workshops kwam iedereen weer samen voor het spannendste onderdeel van de dag: de uitreiking van de vierde Boekman Dissertatieprijs, voor het beste promotieonderzoek over kunst, cultuur en maatschappij aan een Nederlandse universiteit uit de periode 2015-2017. Uit de 74 dissertaties die voor de prijs in aanmerking kwamen – een record! – nomineerde de jury de afgelopen maanden drie proefschriften: die van Jos van Beurden (Treasures in trusted hands: negotiating the future of colonial cultural objects), Theisje van Dorsten (Mirrors in the making: culture, education, and the development of metacognition in early and middle childhood (4-10)) en Hanka Otte (Binden of overbruggen? Over de relatie tussen kunst, cultuur, beleid en sociale cohesie). Na enkele spannende minuten mocht laatstgenoemde uiteindelijk de prijs – bestaande uit een geldbedrag van €10.000 – in ontvangst nemen van plaatsvervangend juryvoorzitter Philomeen Lelieveldt, voor haar ‘prettig leesbaar en levendig geschreven’ proefschrift over de vraag ‘hoe kunstparticipatie en sociale cohesie zich tot elkaar verhouden en of de overheid met kunstparticipatie wel het juiste instrument kiest om die cohesie te bevorderen’.

Overleeft het cultuurbeleid de toekomst?

De uitreiking van de Boekman Dissertatieprijs was niet de enige feestelijke gebeurtenis op het programma. Ter afsluiting van het symposium mochten Edwin van Meerkerk en Quirijn Lennert van den Hoogen namelijk de eerste exemplaren van het nieuwe boek Cultural Policy in the Polder: 25 years Dutch Cultural Policy Act overhandigen aan Barbera Wolfensberger (Directeur-Generaal Cultuur & Media bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) en Marijke van Hees (voorzitter van de Raad voor Cultuur). Verschillende wetenschappers schreven samen dit overzichtswerk dat het huidige cultuurbeleid en culturele bestel in kaart brengt, en een introductie biedt tot de belangrijkste discussies die daaraan ten grondslag hebben gelegen. Het is daarmee een boek geworden dat ‘hiervóór gemist werd in onze universiteitsbibliotheken’, aldus Van Meerkerk.

Zowel de gevers als de ontvangers van het boek bleven na de overhandiging op het podium staan voor een slotbeschouwing op het symposium. Die begon met een herhaling van enkele van de reeds door Birgit Mandel benoemde plus- en minpunten van het Nederlandse cultuurbeleid, maar daaraan werd het bureaucratische gehalte van het systeem toegevoegd. Van den Hoogen deed hierbij de interessante observatie dat ‘bureaucratie’ oorspronkelijk een vooral positief ervaren term was, maar gaandeweg een steeds negatievere lading kreeg. Met betrekking tot het cultuurbeleid is die negatieve bijklank mogelijk niet helemaal terecht. Want hoewel de nadelen er zeker zijn – teveel bureaucratie kan de autonomie van gesubsidieerden aantasten en mogelijk kleine initiatieven doodslaan – werd de verantwoording die culturele instellingen moeten afleggen door de sprekers ook als iets positiefs gezien.

Enige zorg voor een verdere bureaucratisering van het bestel leeft bij sommigen ook wanneer het gaat om de regioprofielen, tot het maken waarvan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verschillende stedelijke regio’s heeft uitgenodigd. Wolfensberger benadrukte dat hiermee niet een extra ‘laag’ in de vorm van een Regionale Infrastructuur aan het bestel wordt toegevoegd. Ze noemde het vooral een kans voor stedelijke regio’s om zelf na te denken en mee te praten over wat ze graag willen bereiken. Die prioriteiten worden vervolgens naast die van het kabinet gelegd om te kijken hoe landelijk en regionaal beleid elkaar zo goed mogelijk kunnen versterken.

De laatste woorden van het symposium betroffen de directe toekomst van het cultuurbeleid. In het slotwoord van hun boek schetsen Van Meerkerk en Van den Hoogen hiervoor drie mogelijke scenario’s. In het eerste daarvan blijft het huidige systeem – met mogelijk wat finetuning – goeddeels intact, terwijl in het tweede het belang van de regio’s toeneemt en het cultuurbeleid decentraliseert. Het derde is zelfs een heus doemscenario, waarin het draagvlak voor de intrinsieke waarde van cultuur afneemt, cultuur daardoor steeds meer aan de markt overgelaten wordt, en het cultuurbeleid geheel verdwijnt. De laatste twee scenario’s leken Wolfensberger en Van Hees echter weinig realistisch. Niet alleen zorgen nationale instellingen en landelijke belangen ervoor dat het cultuurbeleid waarschijnlijk nooit helemaal op regionaal niveau kan plaatsvinden, ook is het zeker niet zo dat de intrinsieke waarde van cultuur in het systeem is uitgespeeld.

Waarschijnlijker is dan ook dat we in de toekomst nog vele malen de verjaardag van de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid kunnen vieren, en vanuit de aanwezigen leek er veel enthousiasme te zijn om dat ook te doen. Het symposium Cultural Policy in the Polder vormde daarmee een geslaagde uitwisseling tussen de culturele sector, beleidsmakers en de cultuurwetenschappen, en zodoende een start voor wat in de toekomst wellicht een mooie traditie kan worden.