Boekbespreking: Opslaan en vernietigen: muziekarchieven bedreigd.

Oskamp, J. (2017)
Opslaan en vernietigen: muziekarchieven bedreigd.
Amsterdam: Ambo│Anthos, 2017
bibliotheek 17-104

Roemloos en voor de buitenwereld vrijwel onmerkbaar verdwenen in 2013 drie muziekarchieven van de rijksbegroting. In twee gevallen werden bovendien de instituten waarbinnen deze archieven recentelijk waren ondergebracht – Nederlands Muziek Instituut (NMI) en Muziekcentrum Nederland (MCN) - wegbezuinigd. Jacqueline Oskamps Opslaan en vernietigen traceert de recente veranderingen in het cultuurbeleid en de krachten die die veranderingen hebben aangejaagd - en  die deze archieven tot de versnipperaar dreigden te veroordelen. Elk hoofdstuk is gewijd aan een of meer van die krachten, met name de neo-liberale opvattingen die sinds eind jaren ’80 meer marktwerking introduceerden in de kunst- en cultuursector en de populististische geluiden die in een tijd van een terugtredende overheid een zodanig dreigende weerklank kregen (en met het kabinet Rutte I – 2010-2012 - reële invloed in de vorm van gedoogsteun) dat visies en overwegingen voor de lange termijn onder druk kwamen te staan.

Hoe kort het politieke geheugen werd bleek uit het lot van het NMI en MCN. De auteur beschrijft hoe beide samenvoegingen waren van voorheen aparte instituten (waaronder Donemus, Stichting Gaudeamus en het National Popinstituut), een uitvloeisel van toenmalig beleid dat gericht was op een overzichtelijker, sectorale organisatie van het culturele veld. In de praktijk bleek dit een demoraliserende reeks maatregelen te zijn: samenwerking tussen qua taken en bedrijfscultuur uiteenlopende instituten, één of meer verhuizingen (ook na fusering) en dan toch vervolgens intrekking van rijkssubsidie. Het feit dat juist het NMI en MCN als nieuwe, zogeheten sectorinstituten werden geschrapt is indicatief voor de ‘kortademigheid’ (p. 79, term van politicoloog Jos de Beus) van het beleid in de besproken periode. In het geval van het derde archief, de Muziekbibliotheek van het Muziekcentrum van de Omroep, of MCO, trof de bezuiniging de collectie van circa 1 miljoen partituren; het MCO bleef als instituut onder de naam Stichting Omroep Muziek, of SOM, wel voortbestaan.

Het erfgoed waarover de auteur de noodklok luidt – partituren, geluidsdragers en persoonlijke archivalia zoals correspondentie, foto’s e.d. – had in de tussentijd onderdak gevonden in het Haags Gemeentearchief (NMI) en de Universiteit van Amsterdam (MCN), terwijl de bibliotheek van het MCO een rijkssubsidie was toegezegd voor catalogisering, opschoning en digitalisering alsmede een exploitatiesubsidie van de gemeente Hilversum. Toch vreest de auteur voor de toekomst van de drie archieven, een vrees die echter in belangrijke mate gebaseerd is op een verwachting: door genoemde maatregelen zijn de archieven ‘dermate in de marge (....) gedrukt, dat ze bij een volgende bezuinigingsronde over het randje zullen kieperen’.  In de nieuwe opslagplaatsen van het NMI en MCN is immers geen extra personeel om de collecties te beheren noch budget ‘om zich in de buitenwereld te manifesteren’ (p. 13). Bij onveranderd, op kwantitatieve criteria gebaseerd beleid (lees: bezoekersaantallen) is dit zeker een uitzichtloze, vicieuze cirkel.

Het businessplan en de steun voor de MCO-bibliotheek, de recente vacature voor een ‘medewerker muziekbibliotheek (Nederlands Muziek Instituut)’, maar ook de onlangs geconstateerde toename in de publieke belangstelling voor erfgoed (zie De Staat van Cultuur 3: Cultuurindex Nederland 2005-2015) en de Erfgoedwet van 2015 waarmee de overheid zich op voorwaarden garant stelt voor erfgoedcollecties (alhoewel de wet specifiek tot museale cultuurgoederen is beperkt) laten evenwel zien hoe snel de zaken ten goede kunnen veranderen. Hoewel deze voorbeelden de geleden schade bij lange na niet kunnen vereffenen, ze tonen wel aan hoe riskant redeneringen zijn waarin een bepaalde variabele, impliciet of expliciet, constant blijft (zoals ‘bij onveranderd beleid’). Daarmee wil ik niets afdoen aan de bezorgdheid van de auteur. Wel plaats ik twee kanttekeningen bij haar redenering.

Ten eerste, het pièce de résistance in haar pleidooi voor het belang van de muziekarchieven is een geval van ‘historische sensatie’. Dit overkomt de auteur wanneer zij in het NMI-archief een handgeschreven partituur uit 1766 van Mozart, voor een compositie ter gelegenheid van de inhuldiging van stadhouder Willem V, vasthoudt. Met passie beschrijft zij het moment: ‘dichter bij Mozart kun je niet komen’ (p. 100). Maar hier doorkruist haar gedrevenheid haar argumentatie. Weinigen immers zal een dergelijk privilege vergund zijn, simpelweg omdat een archief ook objecten tegen verval en slijtage dient te beschermen. Zou het NMI ooit een museum geworden zijn – waarvan even sprake was -, dan zouden bezoekers de partituur hoogstens achter glas hebben kunnen aanschouwen, zonder de mogelijkheid er in te kunnen bladeren; en in een archief is directe toegang tot zulke kwestbare topstukken doorgaans voorbehouden aan medewerkers en externe onderzoekers. Haar argument is als een advertentie voor iets dat nergens verkrijgbaar is.

Liever had ik daarom gelezen wat de NMI- en MCN-archieven, waarvoor alle hoogleraren muziekwetenschap in Nederland na bekendmaking van hun voorgenomen opheffing een lans braken, betekend hebben voor nieuwe inzichten en andere onderzoeksresultaten. Kortom: hoe belangrijk waren zij voor de productie van kennis, en niet louter verwondering. Eén zo’n inzicht -  een nieuwe visie op de opstand van de Notenkrakers, in de jaren 60, tegen het vermeend conservatisme van een oudere generatie musici - beschrijft Oskamp wel, twee keer zelfs, maar de meeste voorbeelden van wat de archieven allemaal bevatten blijven voornamelijk beloftes.

Daarmee lijkt de auteur haars ondanks misschien te suggereren, ten tweede, dat haar klacht dat de ‘integrale Nederlandse muziekgeschiedenis nog wacht op herontdekking’ (p. 132) niet uitsluitend aan genoemde ontwikkelingen rondom het cultuurbeleid geweten kan worden. Want dat zijn, zo verklaart zij tegen het einde van haar boek, eigenlijk maar tijdelijke fenomenen. Zo verwacht zij dat ‘het populisme op een gegeven moment weer aan zeggingskracht inboet’ en constateert dat het neo-liberalisme ‘in toenemende mate onder vuur [ligt]’ (p. 144). Daar kan het ontbreken van die integrale geschiedenis dus niet aan gelegen hebben. Maar, vraag ik me af, wat heeft gedurende het bestaan van deze archieven, inclusief de decennia – in  het geval van het NMI zelfs een eeuw - voor hun samenvoeging en voor stopzetting van hun subsidies, het schrijven daarvan wel zo lang bemoeilijkt?