Verslag KNAW debat: Cultuur en sport. Versterking door verbinding

Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Tiesen-Raaphorst et al. 2016) blijkt dat de werelden van sport en cultuur niet scherp van elkaar te scheiden zijn, met name in de praktijk. Op beleidsniveau is de samenwerking echter vaak nog niet doorgedrongen, behalve op lokaal niveau.

Tijdens de (besloten) expertmeeting op 17 februari 2017 in het Trippenhuis werd onder leiding van Kitty Zijlmans (hoogleraar Kunstgeschiedenis en KNAW-lid) ingezoomd op de samenwerking tussen sport en cultuur op het terrein van talentontwikkeling en kwetsbare jongeren. Onder de circa 30 deelnemers waren wetenschappers, beleidsmakers, onderzoekers en andere betrokkenen uit het sport-, culturele en onderwijsveld.
Na een welkomstwoord door Marielle Hendriks (directeur Boekmanstichting) introduceerde de voorzitter de twee gastsprekers: Maike Kooijmans en Nina Schmid. Laatstgenoemde is danscoach en oprichter en directeur van Move Forward. Zij vertelde over de dans-, basketbal- en rapworkshops die haar organisatie realiseert met jongeren in achterstandswijken. Kooijmans promoveerde op een onderzoek naar talentgericht werken met kwetsbare jongeren door middel van sport en cultuur (Kooijmans 2016). Zij beet de spits af.
 
Kooijmans is van huis uit theatermaker en dramadocent en heeft wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de vraag op welke wijze artistieke en sportieve talentprojecten in het jongerenwerk kunnen bijdragen aan het tegengaan van criminaliteit bij jongeren met een verhoogd risico op delinquent gedrag. Lokaal is er een groeiend aanbod van preventieve programma’s, waaronder het zogenoemde talentgerichte jongerenwerk, om risicojongeren te motiveren tot een positieve ontwikkeling en hen op het rechte pad te houden. Tot op heden is niet systematisch onderzocht hoe dergelijke programma’s precies werken. Kooijmans verrichtte exploratief evaluatieonderzoek naar de werking van twee Brabantse jongerenwerkpraktijken: het voetbalproject Doelbewust van de welzijnsorganisatie Divers voor jongeren uit krachtwijken in ’s-Hertogenbosch en artistieke talentprojecten van R-Newt, het jongerenwerk van ContourdeTwern in Tilburg. Hiphop was hierbij het ‘interventiemedium’.
 
We leven in een participatiemaatschappij, waarin iedereen mag meedoen, lichtte Kooijmans toe. Het paradigma heerst dat iedereen getalenteerd is/moet zijn en succesvol. De nadruk ligt op het belang van slagen. Maar niet iedereen heeft de kracht aan hedendaagse, hoge eisen te voldoen. Dat kan onder jongeren leiden tot stress. Zij vinden dat ze falen, voelen zich losers omdat ze denken niet aan de verwachtingen te voldoen. De frustratie leidt soms tot agressie of boosheid die zich naar binnen keert.
 
Om een beeld te krijgen van wat zich nu precies afspeelt in de emotionele wereld (‘binnenwereld’) van kwetsbare jongeren ontwierp Kooijmans op basis van sociologische theorieën over ‘impression management’ en ‘emotion management’ een speciaal model: ‘interventiemodel talentgericht werken’. Daarin kunnen gedragingen en emoties worden ondergebracht. Het model is een kwadrant en kent vier dimensies. Twee daarvan bevinden zich aan de achterzijde van het model (‘backstage’) en bevatten respectievelijk emoties/positieve ervaringen (succes, erbij mogen horen) en aspiratie/toekomstdromen. Aan de voorzijde (‘frontstage’) gaat het respectievelijk om impressie en de sociale omgeving/relaties. Traditioneel wordt op de ‘frontstage’ ingezet om gedrag te verbeteren. De onderzochte projecten richten zich op de ‘backstage’.
 
Het model maakt inzichtelijk dat de impact van ‘falen’ en ‘slagen’ gerelateerd is aan een complexe wisselwerking tussen zelfbeeld, verwachtingen en gedrag. Kooijmans ging nader in op het spanningsveld tussen verwachtingen en zelfbeeld enerzijds (‘backstage’) en gedrag en functioneren anderzijds (‘frontstage’). Effecten van botsingen tussen verwachtingen en zelfbeeld leiden tot rebellie, eenzaamheid, extreem stoer gedrag. De discrepantie tussen ‘backstage’ en ‘frontstage’ toont aan welke triggers effectief zijn, aldus Kooijmans.
 
Samen met een team heeft ze 100 jongeren gedurende 4 jaar gemonitord. Het bleek dat vooral kunst en sport een appel doen op de vermogens zoals die staan beschreven aan de achterzijde van het model (‘backstage’); de activiteiten raken emoties, houden verband met passie en verbeeldingskracht van jongeren. Deze emoties vormen de brandstof voor ontwikkeling. ‘Denk aan een emotie als verwondering: “Dat ik werkelijk mee mag doen!?”’. Jongeren ervaren deelname aan activiteiten als een boost, te vergelijken met de opwinding die ze ervaren tijdens een ritje in een achtbaan. Het hoogtepunt van de rit is letterlijk en figuurlijk het kantelpunt, lichtte Kooijmans toe. Als in een achtbaan kent het ontwikkelingsproces een kritiek punt waarop iemand ofwel doorzet en zijn pad vervolgt, ofwel angstvallig stilhoudt en terugvalt in oude patronen. Op dat moment kunnen jongeren juist de gewaarwording hebben dat ze de baas zijn over zichzelf en de controle in handen hebben.
 
Kunst en cultuur hebben een verschillende ‘appelwaarde’, ontdekte ze. Soms is de muziek de bindende factor, soms juist kickboksen en voetbal. Ze triggeren op een verschillend niveau. Kunst prikkelt vooral de verbeelding en brengt inspiratie (‘backstage’), teamsport vooral de relatiehuishouding (‘frontstage’). De impact is het grootst wanneer kunst en sport in combinatie met elkaar worden aangeboden en ervaren. ‘Gezamenlijk roepen ze een gesimuleerde werkelijkheid op die anders is dan de alledaagse werkelijkheid’. Daarmee ontstaat er als het ware een vrijplaats voor emoties, met andere normen en waarden, eigen codes. Binnen zo’n community betekent succes iets anders dan in de bestaande wereld, het is minder zwart/wit. Samen iets creëren is belangrijker dan scoren. De opgetelde waarde van sport en cultuur manifesteert zich bijvoorbeeld in een gefingeerde voetbalwedstrijd, waarbij deelnemers doen alsof ze een sport beoefenen.
 
Nina Schmid vertelde vervolgens hoe Move Forward de toepassing van de combinatie van cultuur en sport in praktijk brengt met dans-, basketbal- en rapworkshops voor jongeren in achterstandswijken en asielzoekers. Mensen met een trauma en in zichzelf gekeerd, komen soms pas door middel van bewegen (rap, dans en basketbal) tot praten, legde ze uit. Een aanstekelijke trailer over een project met jongeren in Rotterdam-Zuid toonde het indrukwekkende traject.
 
Het gaat erom emoties om te zetten in iets dat niet te dichtbij komt en daarmee minder bedreigend is. Sleutelfiguren zijn hierbij van cruciaal belang, aldus Schmid. Zij fungeren als voorbeelden die jongeren kunnen inspireren. Daarom wordt er gewerkt met coaches, maar ook psychomotorische therapeuten, artsen en psychologen. Het is telkens opnieuw een ingrijpend en tijdrovend proces om iemands vertrouwen te winnen, aldus Schmid. ‘Jongeren bieden soms veel weerstand’. De coaches doen niet aan pamperen, ‘soms zeggen we dingen die de jongeren echt niet leuk vinden’.
 
Het voedingsprogramma speelt een belangrijke rol. Samen lunchen blijkt een zeer effectief middel te zijn om jongeren te doen ontspannen en op ongedwongen wijze met ze in contact te komen. Het is van cruciaal belang de jongeren positief te stimuleren in een nieuwe vertrouwde omgeving. Gedragsdeskundigen observeren ze ondertussen op hun sociale gedrag, zonder al te veel op te vallen. Talentontwikkeling is een onderdeel van het doel, persoonlijke ontwikkeling.
 
De effecten zijn moeilijk te meten. Maar het staat voor haar en het team vast dat de workshops van hiphopformatie Broederliefde en de gezamenlijke eetmomenten van onbetaalbare waarde zijn, benadrukte ze. Ze pleitte ervoor projecten letterlijk dichtbij de jongeren te laten plaatsvinden om zodoende een soort van familiegevoel te bewerkstelligen, een community die veiligheid biedt. Behalve in Rotterdam bewees het succes van Move Forward zich ook op Haïti. Een tweede filmpje demonstreerde het enthousiasme onder de deelnemers.
 
Discussie
 
In de daaropvolgende discussie stond een aantal vragen centraal: Wat is de toegevoegde waarde van de combinatie van en interactie tussen sport- en cultuurdeelname in de besproken projecten? Welke obstakels ondervinden projecten die cultuur en sport in talentontwikkeling onder jongeren combineren? Aan welke kennis over, of (wetenschappelijke) inzichten in gecombineerde sport- en cultuurdeelname is er behoefte vanuit de praktijk?
 
Over de toegevoegde waarde van sport en cultuur als interventiemedium bestond deze middag geen twijfel; de presentaties leverden het theoretisch en praktisch bewijs. Maar volgens Sanne Scholten (directeur Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst, LKCA) valt er nog een wereld te winnen binnen jeugd-, maar ook ouderenzorg. Daar is de verbindende kracht van de twee terreinen nog niet doorgedrongen. Schmid wees vervolgens nog eens op de schat aan mogelijkheden die sport en cultuur bieden. Ze kennen geen drempels. Iedereen kan meedoen. Vooral voor jongeren is dat van belang. Juist de toegankelijkheid maakt de twee terreinen zo goed inzetbaar.
 
Andries van den Broek (senior onderzoeker, Sociaal en Cultureel Planbureau) vroeg of er in de projecten van Schmid en het onderzoek van Kooijmans voldoende aandacht is voor ‘de dag na het applaus’? Hoe ver reikt het effect van dergelijk projecten? En hoe staat het met de verliezers? Schmid vertelde de handen vooralsnog vol te hebben aan het eigenlijke programma. Er is weliswaar een vervolgprogramma, maar het welslagen hangt af van de inbreng van de jongeren, de wisselwerking tussen hen en de begeleiders. Het kost bovendien veel geld, dat er simpelweg niet is. Ze benadrukte dat de coaches altijd beschikbaar blijven voor de jongeren, maar het komt aan op hun eigen kracht. Dit kan het genoemde kantelpunt zijn, reageerde Kooijmans, het moment waarop iemand de verleiding voelt om terug te grijpen naar negatieve gewoonten. De vraag is dan telkens: hoe sterk ben je? Het gevoel deel uit te maken van een familie, een community, kan het verschil uitmaken. ‘Verliezers kennen we overigens niet’, voegde Schmid toe. ‘We maken verliezen leuk, dus iedereen krijgt een beker’.
 
Ook Johan Wakkie (voorzitter Stuurgroep Sport en Cultuur) vroeg naar de relatie met de sociale omgeving van de jongeren. Is de nazorg ook niet mede afhankelijk van de inzet van de omgeving, de mate waarin ouders en school de verantwoordelijkheid voor het creëren van een veilige zone overnemen? De realiteit is nu eenmaal anders, verzuchtte Schmid. Binnen het programma van Move forward ligt het accent juist op het bieden van een veilige setting. Voor ‘oude’ factoren als ouders en school is daarin geen plaats omdat ze deel uitmaken van een beladen wereld die de gemankeerde jongeren juist achter zich willen laten. En ouders blijken doorgaans weinig belangstelling te hebben. In het onderzoek van Kooijmans in Den Bosch waren de ouders juist een verplicht onderdeel van het programma. Hun rol was niet vrijblijvend, de ouders waren mede verantwoordelijk.
 
Het valt overigens helemaal niet mee om verbindingen te leggen als uitvoerder van programma’s met potentiële partners want de infrastructuur ontbreekt, reageerde Caroline Pietermaat (directeur, Hofplein Rotterdam). Een fijnmazig netwerk wordt node gemist.
 
Joop Alberda (International Sports Consultant) benadrukte dat in het verleden talent een voorrecht was, geen verplichting. Waarom moet er altijd per se gewonnen worden? Is onze samenleving daarin niet een beetje doorgeslagen? Kooijmans viel hem bij. Jongeren moeten tegenwoordig minstens de top halen. En effecten dienen meetbaar te zijn. Ook zij krijgt regelmatig van gemeenten de vraag voorgelegd hoe het de risicojongeren uit haar onderzoek na afloop is vergaan. Zijn ze op het rechte pad gebleven? Haar databank voorziet in al die (positieve) gegevens, dus dat is het probleem niet, maar wat betekenen die cijfers nu eigenlijk, vraagt ze zich af? Gemeenten zijn blij met zo min mogelijk delinquenten, want dat drukt de kosten voor de gemeenschap, maar cijfers zeggen zo weinig over zaken als persoonlijk geluk en welzijn. Bevindingen die er (gelukkig, volgens een groot deel van de samenleving) nog steeds toe doen, aldus de onderzoeker.
 
Onderwijs
 
In de afgelopen jaren zijn er verdeeld over het land indrukwekkende projecten (‘pareltjes’) binnen het onderwijs geïnitieerd met cultuur- en sportprogramma’s op scholen, vertelde Fred Voncken (programmadirecteur, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap). Maar telkens op projectbasis. Dat betekent dat ze na 4 of 6 jaar worden opgedoekt, en niet worden voortgezet. Hij hield een warm pleidooi voor opname van deze vakken als integraal onderdeel van het curriculum. Velen vielen hem bij. Zoals Jolanda Hogewind (directeur Calvijn College Amsterdam). Zij beschreef hoe dit op haar school voor voortgezet onderwijs wordt gerealiseerd. De school biedt een integraal programma waar sport en cultuur deel van uitmaken, in samenwerking met ouders en mentors. Programma’s als dat van Move foreward dienen daarop ter aanvulling. Het komt uiteindelijk aan op eigen initiatief van schoolleiders én docenten, aldus Hogewind. Schoolleiders moeten de kansen grijpen! Op het terrein van sport zijn er eenvoudig relaties te leggen met ondersteunende instellingen en uitvoerders in de omgeving, maar dat ligt op het terrein van cultuur anders. De gewenste infrastructuur schiet tekort, zoals ook Pietermaat had aangeven. Maak een makelaarsbank!, was haar oproep, die bemiddelt tussen de vraag van scholen en het aanbod vanuit het veld. Bertien Minco (directeur Jeugdcultuurfonds) onderstreepte deze omissie. Zij wees erop dat de gemeente scholen dwingt tot een keuze: sport of cultuur. Een gemiste kans.
 
Niek Wijns (live producer en artistiek coördinator, Nederlands Blazers Ensemble) huldigde het ‘fanfaremodel’, zoals in delen van Nederland nog gebruikelijk is. Alle rangen en standen komen bij elkaar bij de fanfare en de harmonie. Cultuurdeelname als een natuurlijke symbiose. Hij adviseerde om groepen letterlijk op te zoeken en projecten op locatie te organiseren. En laten we nadenken over de vraag hoe we de populariteit van sport kunnen inzetten voor het vergroten van de betrokkenheid van jongeren met cultuur? Misschien is het een goed idee om het lokale hockeyteam in het Concertgebouw uit te nodigen? Zijn ensemble heeft net als alle andere culturele instellingen de subsidiegerelateerde opdracht om kunsteducatieve projecten te organiseren. Dat doen ze bijvoorbeeld met een componistenwedstrijd voor scholieren. Met succes. Maar maak bij deze samenwerkingsverbanden vooral gebruik van de expertise van de culturele instelling, luidt zijn advies.
 
Onderzoek en bewijslast
 
Wakkie gaf aan behoefte te hebben aan wetenschappelijk bewijs voor de toegevoegde waarde van de cultuur en sport, ‘want nu zijn het vakken die binnen het onderwijs deel uitmaken van het zogeheten pretpakket’. De wetenschap kan sport en cultuur meer op de bühne brengen. Ook Chantal Hakbijl (fellow, Wetenschappelijk Instituut voor het CDA) is van mening dat we de intrinsieke waarde van sport en cultuur meer moeten benadrukken, naast de instrumentele waarde. Bij een nieuwe politieke wind zijn het kwetsbare onderdelen. Laten we niet weglopen voor het Bildungsideal, benadrukte Voncken.
 
Frits van Oostrom (KNAW‐lid en hoogleraar Nederlandse letterkunde van de middeleeuwen, Universiteit Utrecht) maakte de aantekening dat gymnastiek en muziek verplichte vakken zijn, ‘maar onder de streep…’. Maar voor de meeste basisscholen is het al een enorme opgave om aan de meest elementaire eisen te voldoen, laat staan dat ze in staat zijn om een geïntegreerd programma aan te bieden zoals het Calvijn College. Voncken bevestigde dat er nog veel werk te verrichten valt in de praktijk. De overheid zou meer oog moeten hebben voor de preventieve werking van de inzet van sport en cultuur. Er gaat 94 miljard naar zorg, maar nog geen 1 miljard naar preventie.
Er is dus kennis nodig om betrokkenen, zoals gemeentelijke overheden, te overtuigen. ‘Je kunt niet zonder een goed verhaal, zonder wetenschappelijk bewijs van de effecten’, aldus Hermineke van Bockxmeer (directeur Sport en Cultuur, Gemeente Rotterdam). Bart Zijlstra (directeur Sport, ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) bevestigde het belang van sport en cultuur in het onderwijs. Volgens hem is bewijs beschikbaar. Daar dacht Voncken anders over. Het waarom van cultuur en sport is volgens hem onvoldoende aantoonbaar. We zijn hier nog lang niet mee klaar.’ Voor de wetenschap valt hier winst te behalen, viel Van Oostrom hem bij. ‘Bij de KNAW is het woord sport nog nooit gevallen.’
 
Kortom, er is nog een hoop te doen, vatte Zijlmans de gedachtewisseling samen. De twee gastsprekers kregen het laatste woord. Schmid reageerde vanuit de praktijk: er moet geld bij! ‘Coaches komen niet rond van het geld dat wij ze kunnen betalen’. Ook riep ze iedereen op in actie te komen en niet te lang in het hoofd te blijven hangen. ‘Maak contact met je doelgroep’. Kooijmans viel haar bij: ‘Get inspired!’.
 
Literatuur
Tiesen-Raaphorst, A. en A. van den Broek (2016) Sport en cultuur: patronen in belangstelling en beoefening. Den Haag: SCP.
 
Het najaarsnummer van het tijdschrift Boekman, nummer 112, wordt aan het thema gewijd en verschijnt in september 2017.