Verslag Onderzoek in Zicht met Julian Schaap

Muziek brengt mensen samen, zo luidt het credo, maar in de realiteit blijkt dat niet onvoorwaardelijk het geval. Zo is het publiek van rockconcerten overwegend wit en mannelijk, dat van hip-hopconcerten doorgaans multicultureel. Waardoor lijkt muzieksmaak samen te hangen met ras en etniciteit? Julian Schaap onderzoekt dit thema in zijn dissertatieonderzoek Has Elvis finally left the building? Boundary work, whiteness, gender and the reception of rock music in comparative perspective, dat hij in 2018 hoopt te voltooien.

Schaap, cultuursocioloog en als docentpromovendus werkzaam op de afdeling Kunst- en Cultuurwetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam, ging er nader op in tijdens de lezingenreeks Onderzoek in Zicht, maandag 6 februari jongstleden. Met deze reeks biedt de bibliotheek van de Boekmanstichting onderzoekers een podium om hun scriptie of dissertatie op het gebied van kunst- en cultuurbeleid en praktijk toe te lichten.

Hoe worden etno-raciale- en gendergrenzen ge(re)produceerd en/of bevochten in de receptie van rockmuziek in Nederland (Rotterdam) en de Verenigde Staten (Atlanta)? Zo luidt de onderzoeksvraag. Wat is er allemaal gebeurd sinds Elvis Presley de ’zwarte’ rock ‘n’ roll heeft ‘witgewassen’? Want we lijken bijna te zijn vergeten dat aan Presley zwarte rock ‘n’ roll-musici voorafgingen, die vanwege hun huidskleur markttechnisch geen kans maakten om tot een groot, blank publiek door te breken. Presley was als het ware het witte antwoord op het verlangen naar zwarte muziek.

Iets vergelijkbaars voltrok zich in Nederland, legde Schaap uit. Niet de Golden Earring introduceerde rock ‘n’ roll in 1965 in Nederland, maar de Tielman Brothers, musici uit voormalig Nederlands Oost-Indië. Zij hadden in de verre oost via de radio kennisgemaakt met Amerikaanse muziek en maakten eenmaal in Nederland vergelijkbare muziek. De opzwepende muziek werd hier bepaald niet hartelijk ontvangen. In  Duitsland overigens wel. Daar was in de naoorlogse jaren minder openlijke weerstand jegens vreemde bevolkingsgroepen. Pas met de komst van Golden Earring werd de muziek in Nederland breed geaccepteerd.

De promovendus richt zich in zijn onderzoek op de receptie van rockmuziek. Ten eerste door de kritische ontvangst te onderzoeken, waarvoor hij recensies heeft geanalyseerd die zijn geschreven over rockalbums van witte en niet-witte rockbands. Ten tweede door rockliefhebbers. Hiervoor interviewde Schaap dertig Amerikaanse en Nederlandse rockfans over de symbolische grenzen die zij trekken tussen witte en niet-witte makers van rockmuziek. Ten derde voert hij impliciete associatietesten uit, waarmee kan worden gemeten of er een cognitieve associatie bestaat tussen huidskleur en muziekgenres bij muziekconsumenten in het algemeen.

Als basis voor zijn onderzoek dienen drie takken in de sociologie op het terrein van respectievelijk populaire muziek, gender en ras/etniciteit. Wat onder andere opvalt, aldus Schaap, is dat de focus telkens eenzijdig ligt op ‘de ander’, bezien vanuit een blank perspectief. Daarbij is sprake van zogenaamde gemarkeerde genres. Bijvoorbeeld: hiphop = zwart en staat tegenover blankheid. Wit is de standaard en daarmee ongemarkeerd, en wordt dus niet bevraagd. Schaap beschouwt de rockmuziekscene als een soort biotoop om te laten zien hoe mannelijkheid en witheid als standaarden functioneren en wat daarvan de impact is.

De tweede fase, de ontvangst door actieve deelnemers aan de rockscene, was onderwerp van deze presentatie. Tussen juni 2015 en juli 2016 interviewde Schaap in totaal 30 liefhebbers in Atlanta (VS) en Rotterdam.  Deze steden zijn vanwege hun compactheid en diversiteit interessant en vergelijkbaar. De groep bestond voor de helft uit mannen en voor de helft uit vrouwen, waren resp. blank en niet-blank, gemiddeld 28/29 jaar, en werden gedurende een uur geïnterviewd. Schaap hanteerde voor de interviews de visuele Q-methodologie en post-sortering interview. Dit wil zeggen dat de deelnemers foto’s van rockmusici voorgelegd kregen en werd gevraagd hoe ‘rock’ de artiesten er volgens hen uitzagen. Al naar gelang de antwoorden moesten de deelnemers de foto’s op een bepaald niveau in een frame plaatsen. Het resultaat werd vervolgens door de promovendus geïnterpreteerd door statistische patronen te zoeken in de verschillende sorteringen en de wijze van sortering te bespreken in het interview.  

De kwantitatieve bevindingen zijn nog niet gereed, maar de interviews lijken uit te wijzen dat allereerst bekendheid van de musici, daarna kleding en uiterlijk en tot slot gender een rol speelden bij de beantwoording van de vraag. Op de vraag van Schaap op welke kenmerken de geïnterviewden nog meer hadden gelet, werd aarzelend gereageerd. Pas na aandringen spraken ze zich uit over huidskleur en associaties daaromtrent: een eerste indicator dat ras en etniciteit moeilijk bespreekbaar zijn.

Schaap legde uit dat de interviews aangeven dat mannen binnen de rockscene weliswaar oog hebben voor de mate van mannelijkheid, maar minder voor de begrenzing ervan. Wat de witheid ervan betreft, is het zelfbewustzijn veel minder sterk. Als er al over diversiteit wordt gepraat, dan is dat in positieve zin. Zoals: ‘Als ik een afro in het publiek zie, dan denk ik: “he, kijk, leuk!”’. Maar in het verlengde hiervan wordt niet-witte mensen al snel een bepaalde muzikale expressie toegedicht, constateerde Schaap. In het daaropvolgende stadium van het gesprek leken mensen zich minder prettig te voelen, moeite te hebben met het letterlijke benoemen van huidskleur en bang te zijn voor het oproepen van ongewenste associaties. Men staat dus niet negatief tegenover verschillende etno-raciale groepen, maar vindt het wel lastig om diep verankerde associaties en vooroordelen los te laten.

De promovendus wees op het verschijnsel van ‘dubbele marginalisering’. Dit betekent dat zwarte mensen zich niet alleen denken te moeten aanpassen aan blanke patronen om te mogen worden toegelaten tot ‘witte ruimten’, maar tegelijkertijd vanuit hun eigen gemeenschap het verwijt krijgen zich niet ‘zwart genoeg’ te gedragen. In de VS is dit mechanisme ras-gerelateerd, aldus Schaap, in Nederland meer aan etnische afkomst gekoppeld.

De rockscene wordt gekenmerkt door een open houding naar diversiteit, concludeerde Schaap, maar uiteindelijk vinden blanke mensen het in het algemeen lastig om zoiets als een juiste houding in het debat te vinden. Een geforceerde houding ligt niet zelden op de loer. Niet-blanken ervaren deze zoektocht overigens veel minder als  problematisch. Hierbij maakt Schaap de vergelijking dat deze zoektocht naar ‘het juiste om te doen’ en de strijd tussen verschillende groepen over dit onderwerp, ook steeds meer ter discussie staan in het algemene debat over etno-raciale diversiteit in de maatschappij.

Onderwerpen op het gebied van gender worden sneller herkend en makkelijker besproken dan op het terrein van ras/etniciteit. De standaard van witheid/mannelijkheid wordt grotendeels ongemerkt gereproduceerd, want die vindt plaats in de alledaagse communicatie. En daarmee is het antwoord op de onderzoeksvraag gegeven.

‘Heb je naast een academische ambititie nog een ander motief voor je onderzoek? Voor wie doe je dit?’, klonk een vraag uit de zaal. ‘Die vraag zag ik niet aankomen...’, reageerde Schaap aarzelend. Het onderzoeksthema ligt politiek gevoelig en hij probeert, zo goed als dat kan, enige wetenschappelijke afstand te bewaren, legde hij uit. ‘Maar behalve voor een academisch publiek hoop ik mijn verhaal breder te kunnen delen om te laten zien dat iets relatiefs banaals als muziekvoorkeur ook iets zegt over hoe we met elkaar omgaan in de maatschappij’.

Voor meer informatie: www.julianschaap.com.
Bekijk het college Hoe verraadt jouw muzieksmaak je huidskleur? bij de Universiteit van Nederland.
Overzicht van publicaties van Julian Schaap in de bibliotheek van de Boekmanstichting. 

 

Fotografie: Erwin van Delden