Leren ondernemen
Crowdfunding, bedrijfspresentaties en gastcolleges: veel kunstenaars combineren hun belangrijkste artistieke praktijk met andere inkomstenbronnen. Drie makers vertellen hoe zij hun werk financieren, welke keuzes ze maken en wat dat betekent voor hun artistieke vrijheid.
Na jarenlang te hebben gewerkt als communicatieprofessional in de culturele sector besloot journalist en tekstschrijver Liselore Rugebregt (1986) drie jaar geleden als zelfstandige verder te gaan. Als zzp’er combineert ze journalistieke opdrachten met marketing- en communicatieklussen, waardoor ze ook tijd kan vrijmaken voor eigen projecten. ‘Sommige klussen hebben niets te maken met het schrijverschap, maar betalen wel goed’, zegt ze. ‘En als de geldstroom steady is, heb ik tijd om aan eigen projecten te werken.’ Een van die projecten is een prentenboek dat dit najaar verschijnt: Dromen over Sterrenland, een kinderboek over de zelfgekozen dood. ‘In het voorjaar van 2023 overleed mijn 28-jarige broer Erik door suïcide’, vertelt Rugebregt. ‘Destijds was mijn dochtertje, op wie hij gek was en andersom, pas anderhalf jaar. Te jong om zich hem te kunnen herinneren. Daarom besloot ik herinneringen op papier te zetten.’ Toen Rugebregt ontdekte dat er weinig boeken over suïcide voor jonge kinderen waren, ontstond het idee voor een prentenboek. Dat financierde ze via crowdfunding. Ze haalde ruim 9.600 euro op.
‘Crowdfunding leek me niet alleen financieel interessant, maar ook een mooie manier om het boek onder de aandacht te krijgen.’
Publiek als investeerder
Tijdens haar zoektocht naar een uitgever ontdekte Rugebregt dat ze vaak zelf een groot deel van de marketing en promotie voor haar rekening moest nemen. Dan kon ze het net zo goed zelf uitgeven, concludeerde ze. Ze meldde haar project aan bij voordekunst, een crowdfundingplatform voor de creatieve sector. ‘Crowdfunding leek me niet alleen financieel interessant, maar ook een mooie manier om het boek onder de aandacht te krijgen.’ Rugebregt maakte een begroting: ze zette kosten voor illustraties, vormgeving, drukwerk en distributie op een rij, plus een percentage voor onvoorziene kosten. ‘Bij voordekunst moet je een onderbouwde begroting aanleveren’, vervolgt ze. ‘Ook moet je vooraf nadenken over wat je doet als je niet je volledige streefbedrag ophaalt. Haal je na afloop van de campagne meer dan 80 procent van je doelbedrag op, dan mag je een aangepaste begroting indienen waarin je uitlegt hoe je het project alsnog gaat realiseren met minder geld. Ik had daar een buffer voor.’
‘Het was alsof het boek door veel mensen werd gedragen. Dat geeft een ander gevoel dan wanneer één fonds het hele bedrag beschikbaar stelt.’
Vervolgens mailde Rugebregt familieleden, vrienden, oud-collega’s, kennissen en zelfs oud-klasgenoten met de vraag haar project te steunen. De website rouwinformatie.nl, waar ze als freelancer voor had geschreven, nam haar crowdfundingproject op in een nieuwsbrief. Op LinkedIn en Instagram hield ze haar netwerk op de hoogte van de voortgang. Een leerzaam, maar intensief traject: ‘Je bent voortdurend aan het leuren. Je moet anderen overtuigen dat het interessant voor ze is. Ik ben vrij introvert en moest echt een drempel over.’ Ook het Cultuurfonds, partner van voordekunst, droeg onverwacht 1000 euro bij.
Achteraf is Rugebregt blij dat ze voor crowdfunding koos. Het persoonlijke karakter ervan sprak haar aan. ‘Het was alsof het boek door veel mensen werd gedragen’, zegt ze. ‘Dat geeft een ander gevoel dan wanneer één fonds het hele bedrag beschikbaar stelt.’
Subsidies en spaarzaamheid
Veel kunstenaars zoeken alternatieve financiering voor hun projecten, bijvoorbeeld omdat ze niet afhankelijk willen zijn van subsidies of omdat hun artistieke werk alleen te weinig oplevert om een bloeiende beroepspraktijk te onderhouden. Filmmaker Lidija Zelovic (1970) weet hoe belangrijk aanvullende inkomsten kunnen zijn. Voor haar documentaire Home Game spitte ze achthonderd uur aan archiefmateriaal door: beelden die ze van haar familie maakte sinds ze hun geboorteland Joegoslavië in 1993 ontvluchtten. ‘Doordat ik veel archiefbeeld gebruikte, had ik niet veel draaidagen nodig’, vertelt Zelovic over het maakproces. Maar het archiefwerk kostte acht jaar en de montage honderd dagen. ‘De bijdrage die ik kreeg van het Nederlands Filmfonds dekte die kosten niet. Archiefwerk is een investering die je zelf moet bekostigen.’

Dat Zelovic de documentaire toch kon maken, dankt ze mede aan haar persoonlijke financiële situatie. Van het geld dat haar werd toebedeeld na haar scheiding, kocht ze een klein appartement. ‘Ik heb geen hypotheek meer en als kunstenaar met een onregelmatig inkomen leer je weinig nodig te hebben.’ Om haar films te kunnen maken, combineert Zelovic verschillende werkzaamheden. Ze geeft gastcolleges aan universiteiten en hogescholen en produceert films van andere makers. Dat is niet altijd ideaal: terwijl ze diep in de montage van haar eigen film zit, moet ze soms overschakelen naar een ander project dat haar aandacht vraagt.
‘Soms ben je een halve dag bezig met je eigen film en moet je bijspringen bij andermans productie. Dat vraagt discipline en organisatie.’ Als producent van haar eigen films ontvangt Zelovic kleine vergoedingen wanneer haar werk wordt uitgezonden. Maar filmmakers kunnen alleen meeprofiteren van de exploitatie van hun films wanneer ze (mede)rechthebbende zijn, legt ze uit. Inkomsten uit verkoop en distributie komen volgens haar vaak vooral terecht bij producenten en distributeurs. ‘De maker neemt veel risico, maar behoudt vaak weinig rechten. Daar proberen collega’s verandering in te brengen. Ze maken zich hard voor een groter aandeel in de opbrengsten van hun werk.’
Inkomsten uit verkoop en distributie komen vaak vooral terecht bij producenten en distributeurs.
Veel filmmakers zijn grotendeels afhankelijk van externe financiering. Volgens Zelovic brengt dat een risico met zich mee: makers gaan zich richten op onderwerpen waarvan ze weten dat de kans op subsidie groter is. ‘Ze worden bewust of onbewust gestuurd richting thema’s waarvoor ze verwachten subsidie te krijgen.’ Zelovic spreekt van een zelfcorrigerend mechanisme. Hoewel ze dit herkent, benadrukt ze dat zij zich daaraan onttrekt. Als filmmaker die in de jaren negentig naar Nederland vluchtte, wordt zij bijvoorbeeld vaak geassocieerd met verhalen over oorlog en migratie. ‘Ik probeerde ooit films te maken over de Nederlandse actualiteit, maar die kreeg ik niet gefinancierd’, vertelt ze. ‘Ik word toch gezien als een filmmaker uit Joegoslavië die films maakt over Joegoslavië. Een film over Sarajevo krijg ik makkelijker verkocht dan een film over Groningen.’ Haar lage woonlasten en aanvullende inkomsten geven haar ruimte om autonoom te blijven werken. ‘Alles is erop gericht om die films te kunnen maken’, zegt ze. ‘Ik stort me eigenlijk meer in het creatieve proces dan ik me financieel kan veroorloven, maar probeer de omstandigheden te creëren waarin dat mogelijk is.’
Keuzevrijheid
Voor sommige kunstenaars zijn aanvullende inkomsten vooral een manier om artistieke projecten mogelijk te maken. Anderen gebruiken ze juist om hun beroepspraktijk minder kwetsbaar te maken. De Britse contrabassist Dominic Seldis (1971) kiest er bewust voor zijn inkomsten over verschillende activiteiten te spreiden, allemaal met muziek als uitgangspunt. Zijn aanstelling bij het Koninklijk Concertgebouworkest is zijn basis, maar niet zijn belangrijkste inkomstenbron. Zo’n 70 procent van zijn inkomsten verdient hij inmiddels met andere activiteiten. Hij geeft lezingen voor bedrijven over muziek, leiderschap en teamwork waarbij hij soms ook speelt, maakt eigen theatershows, schreef een autobiografisch boek en is jurylid in het televisieprogramma Maestro.
Zijn aanstelling bij het Koninklijk Concertgebouworkest is zijn basis, maar niet zijn belangrijkste inkomstenbron.

Die veelzijdige praktijk bouwde hij bewust op na een inzicht in het begin van zijn carrière. ‘Als freelance musicus in Londen ging ik van gig naar gig’, zegt Seldis. ‘Het verdiende goed, maar ik had geen garanties en speelde niet bepaald Brahms en Mahler.’ Muzikale prostitutie, noemt hij het grappend. ‘Veel musici spelen niet omdat ze dat graag willen, maar omdat ze ervoor worden betaald.’ Op zoek naar meer stabiliteit en artistieke uitdaging verruilde hij het freelancebestaan voor een vaste plek in een symfonieorkest in Wales. Die zekerheid gaf hem ruimte om daarnaast nieuwe projecten te ontwikkelen. ‘Vanaf het moment dat ik die baan kreeg, begreep ik dat ik twee verschillende levens kon leiden’, zegt hij. ‘Ik had mijn stabiele werk in het orkest én kon daarnaast alles doen wat ik wilde.’ Hij organiseerde concerten en was te zien in tv-programma’s over klassieke muziek, waaronder de Britse versie van Maestro. ‘Niets is eeuwigdurend in dit vak, dus ik grijp alle kansen aan.’
Vier jaar nadat Seldis in 2008 naar Nederland verhuisde, werd hij hier jurylid in Maestro. In tegenstelling tot in het Verenigd Koninkrijk werd het programma in Nederland razend populair. Seldis’ bekendheid leidde tot onder meer media-optredens, eigen theatershows en sprekersaanvragen. ‘Vooral bedrijfsevenementen zijn uitdagend’, zegt hij. ‘Mensen komen daar om te netwerken, niet om naar jou te luisteren. Als je hen kunt vervoeren met klassieke muziek, is dat helemaal geweldig.’
‘Toch spreek ik regelmatig musici die het verschil tussen winst en opbrengst niet zien.’
Seldis kreeg zijn ondernemende instelling van huis uit mee: zijn beide ouders waren zelfstandig ondernemer. Van zijn vader leerde hij het belang van boekhouding, het opzijzetten van btw en het goed doorrekenen van de financiële kant van een project. ‘Als je 10.000 theatertickets à 50 euro verkoopt, betekent dat niet dat je een half miljoen euro verdient’, zegt hij ter illustratie. ‘Toch spreek ik regelmatig musici die het verschil tussen winst en opbrengst niet zien.’ Momenteel werkt Seldis aan zijn zesde theatershow, die in 2028 in première gaat. Hij verzorgt opnieuw zelf de productie en marketing. Zijn veelzijdige loopbaan leverde Seldis niet alleen financiële zekerheid, maar ook keuzevrijheid op. ‘Ik werk alleen aan projecten die ik leuk vind of die de moeite waard zijn’, zegt hij. ‘Een ongewone luxe voor een musicus.’
Geen van de drie geïnterviewden kreeg tijdens een opleiding les in ondernemerschap.
Zelfpromotie
Hoe je als kunstenaar een duurzame beroepspraktijk opbouwt, leren veel makers pas in de praktijk. Geen van de drie geïnterviewden kreeg tijdens een opleiding les in ondernemerschap. Zelovic studeerde film- en televisiewetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Een theoretische opleiding, die haar vooral hielp het Nederlandse medialandschap te leren kennen. Het maken en financieren van films leerde ze daarna in de praktijk. Eerst tijdens een stage bij Channel 4, later bij diverse Nederlandse filmproductiebedrijven. Ze belandde aanvankelijk in oorlogsverslaggeving, kwam erachter dat dat niets voor haar was en vond daarna haar eigen weg in het maken van films. ‘Van alles en iedereen die op je pad komt, leer je’, zegt ze. ‘Daarnaast neem je je eigen ervaringen mee. In dit vak heb je meer nodig dan theoretische kennis.’
In een klein jaar tijd begon ze onder begeleiding van een mentor haar eigen tekstbureau.

Ook Rugebregt leerde het ondernemerschap in de praktijk. Ze studeerde Culturele Antropologie en Ontwikkelingssociologie aan de Universiteit Utrecht en rolde het schrijversvak in. Ze pitchte haar idee om een tekstbureau te beginnen bij de Bart de Graaff Foundation, een stichting die jongeren met een ziekte of beperking helpt bij het opzetten van een onderneming – ze kwam ervoor in aanmerking omdat ze een medisch traject achter de rug had. In een klein jaar tijd begon ze onder begeleiding van een mentor haar eigen tekstbureau. ‘Ik volgde er cursussen over ondernemerschap, bouwde een netwerk op en ontmoette medewerkers van grote bedrijven die meedachten over mijn website en marketing. Ik vind het fijn om mooie dingen te creëren, maar het is als maker ook belangrijk om jezelf in de markt te zetten.’
Daar is Seldis het mee eens. Volgens hem wordt er op conservatoria te weinig aandacht besteed aan het ondernemerschap. ‘Er zijn veel musici die op het hoogste niveau spelen, maar geen werk hebben.’ Veel kunstenaars onderschatten volgens hem het belang van zichtbaarheid. ‘Ik geef in Londen les aan jonge musici die beter spelen dan ik, maar ze wachten tot hun telefoon gaat. Zo werkt het niet. Hoe meer mensen je kennen, hoe meer kansen je krijgt.’ Binnen de klassieke muziek rust volgens hem nog altijd een taboe op zelfpromotie. Sommige musici vinden dat artistieke kwaliteit voor zich zou moeten spreken en dat zelfprofilering niet bij het kunstenaarschap hoort. ‘Maar niemand gaat je boeken als ze niet weten wie je bent.’
Crowdfunding, bedrijfspresentaties en gastcolleges: veel kunstenaars combineren hun belangrijkste artistieke praktijk met andere inkomstenbronnen. Drie makers vertellen hoe zij hun werk financieren, welke keuzes ze maken en wat dat betekent voor hun artistieke vrijheid.
Kim van der Meulen
Kim van der Meulen is journalist. Ze schrijft over ondernemerschap, cultuur en geld voor onder meer Boekman en het FD.
Fotografie: Annelien Nijland