Boekmanstichting Kenniscentrum voor kunst, cultuur en beleid

Verslag bijeenkomst Naar waarde gewogen

Wat is de waarde van kunst en cultuur in de wereld waarin wij leven? Wat is de verantwoordelijkheid van de overheid voor dit terrein? En wat betekent dat voor de inrichting van de subsidiesystematiek en het stelsel als geheel? Daarover gaat het boek van Claartje Bunnik, Naar waarde gewogen: een nieuw model voor kwaliteitsbeoordeling bij de toekenning van cultuursubsidies, dat op 15 december 2016 bij de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag ten doop werd gehouden.

Kim Putters, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en als bijzonder hoogleraar Beleid en Sturing Gezondheidszorg verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, gaf een heldere uiteenzetting hoe er in de samenleving wordt gedachte over de waarde van kunst en cultuur. Daarna werd de Claartje Bunnik (Bunnik Beleid en Advies) aan de tand gevoeld over haar boek door moderator Thomas van Dalen (Thomas van Dalen Advies). De bijeenkomst werd afgesloten met de vraag wat de beoogde gebruikers van het boek vinden. Annabelle Birnie (Drents Museum), Anne Visser (Gemeente Hilversum) en Jeroen Bartelse (Raad voor Cultuur) gaven hun eerste indrukken.

Het brede publiek over de waarde van kunst en cultuur

Kim Putters opende zijn lezing met de vraag wie in Nederland de waarde van kunst en cultuur inziet. Welke groepen mensen herkennen wij in onze samenleving en hoe kijken die aan tegen kunst en cultuur? Dat laatste kan worden afgelezen aan het Continu Onderzoek Burgerperspectieven, vertelde hij. Hierin verzamelt het SCP gegevens over het vertrouwen van de burger in de overheid, het parlement en instituties. Daarnaast wordt gekeken waar burgers vinden dat meer of minder geld naar toe zou moeten gaan. Afgezet tegen andere prioriteiten als het verbeteren van de werkgelegenheid en stadsvernieuwing, komt het stimuleren van kunst en cultuur als laatste uit de bus. Wat betekent dit? “Een groot deel van de Nederlandse bevolking denkt dat het geld in de cultuursector tegen het plafond klotst”, legde Putters uit. Er bestaat een grote discrepantie tussen de feitelijk beschikbare middelen en het beeld dat erover bestaat. De culturele sector moet dus veel beter laten zien aan de Nederlandse samenleving hoe zij aan die samenleving bijdraagt, waarschuwde hij.   

Hulpbronnen

Wat maakt nu of je mee kunt komen in de samenleving, vervolgde Putters zijn lezing. Dit bepaalt namelijk mede hoe je kijkt naar de uitgaven van de overheid. Dat zijn de hulpbronnen, aldus Putters. Het persoonlijk kapitaal geeft aan of je in staat bent gebruik van te maken van kunst en cultuur, of er geen beperkingen zijn zoals een slechte gezondheid. Het culturele kapitaal laat zien of iemand in een cultuur-georiënteerd is milieu opgegroeid, of er culturele voorzieningen in de buurt zijn, maar ook of iemand er zijn weg in kan vinden, zijn talen spreekt, digitale vaardigheden heeft. Het sociaal kapitaal zegt iets over de netwerken waarin iemand verkeert, bijvoorbeeld school, of de vriendenkring. Bieden zij de mogelijkheid om met kunst en cultuur in aanraking te komen? Economisch kapitaal verwijst naar inkomen en vermogen, en naar de overheidsuitgaven aan cultuur.

Zes bevolkingsgroepen

Wie heeft nu meer of minder toegang tot hulpbronnen? Teruggekoppeld naar het brede publiek, blijkt die in zes groepen te kunnen worden verdeeld, die elk in verschillende mate op die hulpbronnen kunnen leunen. In de Gevestigde bovenlaag en de Jonge kansrijken, vertelde Putters, zitten gezonde mensen die relatief vaak in aanraking komen met kunst en cultuur. Zij hebben veel van alles, of uitzicht daarop zoals de hoogopgeleide studenten.

In de Werkende middengroep en de Comfortabel gepensioneerden heerst veel onzekerheid. De Werkende middengroep is het grootst en bestaat uit tweeverdieners, meestal met een hypotheekschuld, zorg voor kinderen en ouders. Zij vragen zich af of de voorzieningen die daarmee samenhangen betaalbaar. De Comfortabel gepensioneerden zijn onzeker over de toekomst. Zijn de pensioenen over tien jaar nog wat waard? “Kan ik blijven deelnemen aan wat ik belangrijk vind?” Deze eerste vier groepen staan positief in het leven, al verschillen zij onderling in hun cultuurparticipatie.

In de laatste twee groepen, de Onzekere werkenden en de Achterblijvers − samen 30 procent van de Nederlandse bevolking − is veel ongenoegen. Zij hebben juist weinig van alles en scoren laag in het totaal aan hulpbronnen waarover zij beschikken: 29 procent, tegenover 71 procent in de eerste vier groepen. Maar liefst veertien procent van de bevolking zit in de groep Achterblijvers die hard is geraakt door de financiële crisis. In deze groep komen veel bijstandsmoeders en eenoudergezinnen voor, en stapelen de problemen zich op, van werkeloosheid en schulden tot problemen met de gezondheid. Zij hebben het vertrouwen in de politiek en instellingen verloren en stemmen niet meer, staan negatief tegenover Europa, globalisering en de kansen die dat biedt. Ook hun houding tegenover kunst en cultuur is negatief.

De factoren die maken dat iemand aan de goede of slechte kant van de scheidslijn terechtkomt, zijn opleidingsniveau, etniciteit en leeftijd. De effecten daarvan werken door op allerlei terreinen: werk, sociale netwerken, leefstijl, toegang tot voorzieningen, een open of gesloten houding naar de toekomst, en waardering voor kunst en cultuur. Dat heeft direct gevolgen voor het draagvlak voor kunst en cultuur, de cultuurparticipatie, en de mate van zeggenschap in de cultuursector. 

Keuzes maken

Wat betekenen deze inzichten nu voor de culturele sector? Culturele instellingen moeten zich afvragen welke doelgroepen zij willen bereiken, en tot welke van de zes bevolkingsgroepen die behoren. Putters formuleerde daarom vier keuzes voor de  kunst/culturele instellingen. Waar willen zij verantwoordelijk voor zijn? Voor de artistiek-inhoudelijke kwaliteit van kunst en cultuur, voor de verbinding met specifieke groepen, zoals kwetsbare ouderen, of de lokale economie, ter versterking van de kwaliteit van de samenleving. Ligt er een focus op het bevragen of becommentariëren van maatschappelijke ontwikkelingen, op cultuureducatie of wetenschap, vrije tijd en plezier, programma’s voor dementen of de publieke ruimte? Dat moet helder zijn, zodat er geen verkeerde verwachtingen kunnen worden gekoesterd. Een belangrijke eis van overheden aan culturele instellingen is cultureel ondernemerschap. Dat vraagt een zekere mate van handelingsvrijheid, maar Putters constateert bij overheden nog te veel behoefte aan beknotting door wetgeving en verantwoordingsregels die bovendien uitgaan van uniformiteit. Erkenning van de onderlinge verschillen tussen instellingen brengt variëteit in de verantwoording, stelde hij. Zijn laatste punt betrof de vraag welke stakeholders instellingen betrekken bij hun organisatie. Zijn dat vrijwilligers, mensen uit andere domeinen zoals de zorg, of de gemeente? Wat kunnen en mogen zij bijdragen aan de koers en activiteiten van de instelling?

Deze vier keuzes hebben te maken met de wijze waarop kunst/culturele instellingen zich verantwoorden. De keuzes bepalen ook welke van de eerdergenoemde zes groepen zij bereiken. “Kunst en cultuur”, stelde Putters, “zijn belangrijker dan ooit. Zorg er daarom als sector voor zelfbewust en krachtiger dan ooit te klinken!”

Het Culturele Waardemodel

Na deze “van buiten-naar-binnen” inleiding was het woord aan Claartje Bunnik, die in gesprek met Thomas van Dalen die toelichtte wat zij als de essentie van Naar waarde gewogen beschouwt. Vijf jaar geleden publiceerde zij met Edwin van Huis de voorloper van dit boek: Niet tellen maar wegen, waarin gesteld werd dat de (subsidie)relatie tussen overheid en culturele sector gebureaucratiseerd was. De overheid is gaandeweg meer gaan sturen op normen en kwantitatieve gegevens, met voorbijgaan aan de inhoud en vanuit een uniformiteitsdenken. De auteurs vonden dat de relatie meer over die inhoud moest gaan, in een wederzijdse uitwisseling van argumenten. Dat vraagt om maatwerk. Hoe staat het daar nu, vijf jaar later, mee? Bunnik: “Er is een veel groter bewustzijn dat de huidige manier van werken zijn beperkingen heeft, dat de totaliteit van een instelling niet met cijfers alleen kan worden gevangen en dat uniformiteit geen bruikbaar raster is.” Toch, stelde Bunnik, is de praktijk niet wezenlijk veranderd, met alle risico’s van dien. Nu de sector onder druk staat, en het draagvlak scheuren vertoont, wordt het noodzakelijk na te denken over een andere omgang met instellingen en stakeholders. 

De complicaties die aan het huidige systeem kleven zijn legio, en Bunnik noemde er twee. De eerste betreft de criteria waarop instellingen worden beoordeeld. De overheden en fondsen hebben allemaal beoordelingskaders, die overeenkomsten en verschillen vertonen. “Wij zijn het dus niet eens over wat ijkpunten van kwaliteit zijn”, concludeerde zij. “Daarachter ligt een nog groter probleem, er is geen consensus over de waarde van cultuur en waarom overheden cultuur willen subsidiëren. Dat maakt dat de beoordelingskaders een wankel bouwwerk vormen. Is het mogelijk een nieuw beoordelingsmodel te ontwikkelen dat gefundeerd is op wat wij de publieke waarde van cultuur vinden, met de artistieke inhoud als kern?” Haar antwoord is een denkmodel, het Cultureel Waardemodel, dat een kernrol in Naar waarde gewogen vervult en elementen bevat die bepalend zijn voor de publieke waarde van cultuur. Niet alle elementen daaruit zijn van toepassing op elke instelling, het is geen uniform raster.

“Wat gaat er veranderen in de beoordeling als dat Culturele Waardemodel wordt toegepast”, wilde Van Dalen weten. Het Culturele Waardemodel, legde Bunnik uit, berust op twee nauw aan elkaar gerelateerde twee pijlers: artistiek-inhoudelijke kwaliteit en maatschappelijke kwaliteit. Bij artistiek-inhoudelijke kwaliteit wordt er als vanouds  door experts gekeken naar wat instellingen doen, maar ook naar de impact van hun activiteiten op hun stakeholders. Dat laatste moeten instellingen zelf achterhalen. Er wordt bovendien veel bewuster en preciezer gekeken naar maatschappelijke kwaliteit. Wat vindt de omgeving van de instelling, of de samenwerkingspartner? Het spectrum van beoordelaars wordt dus verbreed, en er wordt gekeken naar aspecten die nu nog niet worden meegenomen in de beoordeling. Het boek is daarmee een uitnodiging aan overheden om na te denken over wat zij als de waarde van kunst beschouwen, en aan instellingen om keuzes te maken – een profiel te creëren – zoals Kim Putters ook voorstelde.

Potentiële gebruikers over het Culturele Waardemodel

 “Bunnik schopt tegen veel heilige huisjes, en getuigt van een praktische realiteitszin die de sector kan helpen”, luidde de reactie van Annabelle Birnie. De kern van het boek zit voor haar in de administratieve verlichting, regeldrukvermindering, en een helder kader voor het beoordelen van cultuur. “In het huidige model beantwoord je de vragen die je moet beantwoorden om als instelling aan de gestelde criteria te voldoen. Dat geeft richting aan de plannen die je schrijft, terwijl er meer ambitie en variatie in de plannen zouden komen brengen als je als instelling zelf meer de richting mocht bepalen” meende zij. Birnie is op zoek naar een model dat meer tijd voor de inhoud en de stakeholders mogelijk maakt. Nu heeft zij te maken met zo’n 25 externe partijen waar ze verantwoording aan moet afleggen.

Anne Visser vertelde dat er tot anderhalf jaar geleden weinig cultuurbeleid werd geformuleerd in Hilversum, een middelgrote stad in een overvolle culturele regio. Culturele instellingen waren daardoor gedwongen zelf hun eigen richting te  bepalen, wat niet altijd succesvol is gebleken. In het huidige cultuurbeleid is veel aandacht voor versterking van de artistiek-inhoudelijke kwaliteit, naast aandacht voor de sociale, economische en ruimtelijke effecten van kunst. “Veel van de bouwstenen die Bunnik beschrijft, hebben wij daarvoor ingezet. Wij gaan het boek zeker gebruiken om de uitvoering van het beleid verder te brengen. Instellingen die niet gewend zijn te werken met een praktisch-richtinggevend kader, hebben moeite zich te verhouden tot de ambities van een meerjarenbeleid. Dan zit er gelijk spanning op de lijn.” Wat zijn de kritische prestatie-indicatoren, hoe meet je die en welke stakeholders betrek je daarbij, zijn ook voor ons de belangrijke vragen, stelde zij. Dat gesprek wordt nu in Hilversum nu opgestart.

Wat gebeurt er nu met een instelling die een degelijke Claartje Bunnikopvoeding heeft gehad, en zijn eigen profiel heeft gecreëerd, vroeg Van Dalen zich hardop af. Van belang is dat instellingen dat helder kunnen maken en laten zien hoe hun keuzes bijdragen aan de ambities van de stad, antwoordde Visser.

Jeroen Bartelse noemde Naar waarde gewogen een rijk, overzichtelijk boek, rakend aan actuele discussies. “Kwaliteit is een meervoudig begrip”, stelde hij. “Als je daar artistiek-inhoudelijke en publieke waarde tegenaan legt, pakt dat voor alle instellingen anders uit. Hoe kun je het profiel van een instelling op een goede manier meenemen in de beoordeling van de instelling?” Dat lijkt gemakkelijker dan het is. In de toekomst zullen de regio maatgevender worden in het beleid en staan samenwerkingsverbanden nadrukkelijker op de voorgrond. De keten en netwerken worden belangrijker, legde hij uit. Hoe kun je instellingen dan bijvoorbeeld gezamenlijk verantwoordelijk maken? Wat Bartelse aanspreekt in het boek is het voorstel de cyclus op te rekken van vier naar zes jaar, gekoppeld aan (zelf)visitatie. Kan dat, zonder dat de planlast te groot wordt? Het is een vraag die een rol speelt in de herinrichting van het cultuurbestel, zoals ook de kwaliteitsbeoordeling van culturele instellingen. 

presentatie-kim-putters-scp-bij-naar-waarde-gewogen-15-dec-2016

De bijeenkomst werd georganiseerd door Kunsten '92. De publicatie kwam tot stand in samenwerking met Kunsten ‘92, de Boekmanstichting en VNG.

Claartje Bunnik, Naar waarde gewogen: een nieuw model voor kwaliteitsbeoordeling bij de toekenning van cultuursubsidies is uitgegeven door de Boekmanstichting en hier te bestellen.

Op 16 januari 2017 vertelde Claartje Bunnik meer over het Culturele Waardemodel in de lezingenreeks van de Boekmanstichting Waarde van Cultuur. Lees het verslag.



Bekijk meer: Verslagen

Partners & subsidiënten