Boekmanstichting Kenniscentrum voor kunst, cultuur en beleid

Verslag: Inclusiviteit door Cynthia Dekker en Rento Zoutman

De tweede, wederom druk bezochte bijeenkomst in het kader van de reeks Inclusiviteit was een dubbel-lezing door Cynthia Dekker, bestuurslid van Rotterdam Festivals, en Rento Zoutman, directeur van de Rotterdamse Kunststichting (RKS) en secretaris van de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur (RRKC), op maandag 28 mei bij de Boekmanstichting. Deze ‘Rotterdamse’ middag weerspiegelde de pioniersrol van de stad – met inwoners uit zo’n 170 landen – in het debat over en initiatieven op het terrein van inclusiviteit. Zoutman relativeerde deze rol overigens enigszins door te wijzen op de lange geschiedenis van lokale beleidsplannen en intiatieven (sinds 1979) om een gevariëerder publiek – in de loop der jaren aangeduid met ‘etnische minderheden’, ‘allochtonen’ of ‘migranten’ – te bereiken. Terecht, zo merkte hij op, dat het geduld van vertegenwoordigers van deze doelgroepen langzamerhand op raakt (’alweer een praatronde’) – wat hen er ondertussen niet van heeft weerhouden diverse eigen initiatieven te ondernemen op het gebied van culturele organisatie, productie en/of uitvoering.

Cynthia Dekker trapte af met het onderzoek naar het potentiële cultuurpubliek voor de Rotterdamse (gesubsidiëerde) cultuurinstellingen, uitgevoerd  onder verantwoordelijkheid van Rotterdam Festivals (Rotterdam festivals 2018). In een tijd van grote demografische veranderingen in de stad (bevolkingsgroei, herkomst, samenstelling van huishoudens, vergrijzing, e.d.) was het van belang te weten te komen in hoeverre de lokale culturele instellingen aansluiten bij hun publiek en publieksbereik. Hiervoor is gebruik gemaakt van Mosaic, een segmentatiesysteem t.b.v. marktonderzoek.  Met deze methode wordt een markt opgedeeld in doelgroepen op basis van een groot aantal bronnen. Voor Rotterdam werd een speciaal doelgroepenmodel voor cultuur ontwikkeld, dat naast demografische en sociaal-economische kenmerken ook bezoek- en gebruiksgegevens (abonnementen, lidmaatschappen, enquêtes e.d.) gebruikte; landelijke gegevens van de Vrijetijdsomnibus van het Sociaal en Cultureel Planbureau dienden ter vergelijking. Aldus werden doelgroepen onderscheiden op basis van uiteenlopende factoren, bijvoorbeeld ‘Jonge digitalen’ en ‘Vergrijsde eenvoud’ of ‘Sociale huurders’ en ‘Elitaire topklasse’. Daarbinnen werden fijnere typeringen aangebracht, zoals ‘Studentenvrijheid’ of ‘Modale arbeiders’, die werden ingedeeld naar hun verwachte gebruik van of participatie in cultuur (resp. heavy, medium en light users). Met dit doelgroepenmodel werd vervolgens het publiek van de Rotterdamse culturele instellingen in kaart gebracht teneinde te weten te komen (1) of er voldoende aanbod voor iedereen is en (2) welke doelgroepen het best (of slechtst) bediend worden met het bestaande aanbod.

De onderzoekscijfers tonen dat er voor elk wat wils is, maar terwijl sommige groepen (met name ‘Stadse alleseters’ en ‘Elitaire cultuurminnaars’) zeer goed aan hun trekken komen, is er voor andere (met name ‘Kleurrijke knokkers’ en ‘Modale cultuurmijders’) te weinig aanbod. Aangezien de eerstgenoemde groepen zo’n 20 procent van de Rotterdamse bevolking vertegenwoordigen en de laatstgenoemde bijna 60 procent mag je rustig spreken van een scheefgroei. Deze omstandigheid zal zeker implicaties hebben voor de planning van toekomstige culturele voorzieningen. Het onderzoek wordt voortgezet in een Werkgroep Publieksbereik. Daarin wordt aan de vraagzijde getracht beter inzicht te krijgen in wensen en behoeften (ook onder wegblijvers), terwijl aan de aanbodzijde een inventarisatie is gemaakt van het ‘inclusieve’ publieksbereik van iedere (gesubsidiëerde) instelling. Op basis darvan hoopt men een representatiever publieksbereik en een evenwichtiger aanbod te realiseren. Samenwerking tussen instellingen is hierbij een van de aanbevolen middelen, zodat  een ieder niet zelf het wiel (opnieuw) hoeft uit te vinden.

Rento Zoutman demonstreerde aan de hand van een staafdiagram van de Rotterdamse bevolkingsontwikkeling – een consistent positief buitenlands migratiesaldo sinds 2008 –  hoe actueel en noodzakelijk maatregelen ten aanzien van inclusiviteit zijn. Niet voor niets is dit het thema van de RRKC in de periode tot 2020. Ten behoeve van een advies aan B&W van Rotterdam heeft de raad de Erasmus Universiteit een enquête laten uitvoeren onder de directies van de 86 gesubsidiëerde culturele instellingen in de stad om hun zogeheten ‘culturele diversiteitsgehalte’ te bepalen (Berkers et al. 2017). De enquête was gericht op vier aspecten van hun taken: programma, publiek, personeel en partnerships. Eén van de uitkomsten was dat er geen oorzakelijke relatie te leggen is tussen het inclusiviteitsgehalte van de instellingen en het gebruik van de Code Culturele Diversiteit (CCD), een recent aanbevolen “praktisch instrument voor leden van besturen, raden van toezicht, directies en medewerkers van publieksgefinancierde culturele instellingen (….) om culturele diversiteit structureel in de instelling te verankeren’ (Stuurgroep code culturele diversiteit 2011, 4). Bovendien is het aangegeven gebruik van de CCD wellicht vertekend als gevolg van sociaal wenselijke beantwoording. Desondanks, zo betoogde Zoutman in de daaropvolgende discussie, heeft de enquête toch meer inzicht gegeven in het ‘inclusiviteitsgedrag’ van de instellingen.

Daarnaast heeft de raad vijf groepsgesprekken met makers georganiseerd, waarbij iedere genodigde een introducé kon meebrengen (dit om de diversiteit aan stemmen te vergroten). Op basis van beide activiteiten zijn drie kernthema’s geformuleerd: toegankelijkheid, doorstroming en inclusieve mentaliteit. Aan de hand van een aantal subjectieve, d.w.z. aan de gesprekken ontleende citaten, gaf Zoutman een indruk van de perceptie van deze drie thema’s. Bij toegankelijkheid speelt het kwaliteitsbegrip een dominante rol in de programmering, aangezien diversiteit veelal nog negatief wordt gecorreleerd aan kwaliteit. Van doorstroming is volgens de gesprekspartners  doorgaans geen sprake, gezien de moeite die makers of werknemers hebben een voet tussen de deur te krijgen – laat staan door te stromen – bij culturele instellingen. Inclusieve mentaliteit werd vaak vertaald als een roep om maatregelen (zoals quota voor programmering of aannamebeleid). Meer algemeen werd geconcludeerd dat culturele instellingen als geheel zich gedragen als een gevestigde orde waarbinnen alleen met dwingende maatregelen inclusiviteit te realiseren is. Of helemaal niet, d.w.z. dat er alternatieve instellingen en circuits worden opgericht.

Dit laatste punt kwam in de discussie weer ter sprake n.a.v. de vraag in hoeverre die alternatieve cultuurplaatsen in beeld gebracht kunnen worden – denk aan de dance- en clubcultuur bijvoorbeeld. De Vrijetijdsomnibus, zo werd geantwoord, geeft daar wel een beeld van, maar andere bronnen moeten geraadpleegd worden om deze ontwikkelingen in focus te houden. Dat is des te noodzakelijker, aldus een jonge maakster uit Rotterdam, aangezien de ontmoediging die van de ‘gevestigde orde’ uitgaat her en der groot is. En al is dit volgens Zoutman deels een kwestie van perceptie, het is zeker ook een gebrek aan accountability bij de meer gevestigde instellingen.

Uiteraard leidde deze problematiek naar de vraag over een gewijzigde verdeling van subsidies. Beide sprekers gaven aan dat de onderzoeksgegevens een nauwkeuriger beeld geven t.b.v. beleidsadviezen. Overigens werd gememoreerd dat er in het huidige Cultuurplan al 18 nieuwe disciplines een toewijzing hebben gekregen. Maar uiteraard worden gevestigde belangen – erfgoed, klassieke muziek, etc. – fel verdedigd. In aansluiting daarop werd het Britse voorbeeld aangehaald, waar de Mosaic-methode een lange traditie heeft. Op basis van hun (demografische) voorspellingen – zoals het verdwijnen van bepaalde publieksgroepen – zijn de afgelopen jaren al ingrijpende maatregelen genomen, zoals het schrappen van symfonieorkesten. Tegelijkertijd werd gesteld dat je voor nieuwe, vooral ethnisch diverse doelgroepen niet vroeg genoeg kunt beginnen – of in de geciteerde woorden van de directeur van jeugdtheater De Krakeling: ‘Wie nu niets doet, is dom bezig.’

Literatuur

Berkers, P. (et al.) (2017) Onderzoek culturele diversiteit in de Rotterdamse cultuursector. Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam.

Rotterdam Festivals (2018) Wat wil het publiek? Rotterdam, cultuur en publiek in kaart gebracht. Rotterdam: Rotterdam Festivals.

Stuurgroep Code Culturele Diversiteit (2011) Code Culturele Diversiteit. (S.l.) : (s.n.).

Foto’s: Nuran Bozkurt & Jack van der Leden






Bekijk meer: Verslagen

Partners & subsidienten