Boekmanstichting Kenniscentrum voor kunst, cultuur en beleid

Verslag: Regionalisering door Hans van Maanen en Pieter Bots (Raad voor Cultuur)

Die blik van buiten heeft hun kijk op wat zich binnen afspeelde radicaal beïnvloed. In de introductie van zijn publicatie Kunst in de kop van koopman, beschrijft Hans van Maanen hoe de aarde in de ogen van Wubbo Ockels en André Kuipers terecht kwam in een andere context door de blik vanuit het heelal. Zo´n blik van buiten naar binnen is volgens Van Maanen dan ook nodig om het cultuurbestel te herzien.

Dit werkte hij uit in de lezing op 30 januari, waarmee hij de aftrap verzoprgde voor een korte reeks lezingen die de Boekmanstichting organiseert rondom het thema stedelijke regio’s. Deze reeks is georganiseerd als prelude op het verschijnen van de volgende Boekman, waarin dit thema eveneens verkend zal worden. Onlangs nam Hans van Maanen afscheid als voorzitter van de Kunstraad Groningen, waarbij ook de publicatie Kunst in de kop van koopman, beknopt verslag van twintig jaar klagen over de Nederlandse Cultuurpolitiek verscheen. Van Maanen was dan ook een geschikte persoon om deze reeks mee te starten vanuit een blik op het verleden en de lessen die hieruit zijn te leren.

Uitvoerbaarheid van stedelijke cultuurregio’s

Tijdens zijn 45 jaar ervaring in het veld, stuitte hij meermaals op de onwetendheid, of het gebrek aan wil om te weten, van politici, de vage termen waarmee zij over cultuur praten en vooral ook het feit dat er in deze periode zo weinig aan het bestel is veranderd. Het belangrijkste probleem ziet Van Maanen dan ook in de relatie tussen kunst en de samenleving, een relatie die het cultuurbestel zo goed mogelijk zou moeten organiseren. Een voorbeeld dat hij daarbij aanhaalt is een onderzoek uit 2013 waaruit blijkt dat 90 procent van de inwoners van de stad Groningen van boven de 18 nooit een theatervoorstelling bezoekt. Het cultuurbestel moet dus inderdaad herzien. Met veel interesse las hij dan ook de toekomstverkenning Cultuur voor stad, land en regio van de Raad voor Cultuur. Daarbij plaatst hij wel kanttekeningen bij de daarin gebruikte definitie van het begrip cultuur. Hij zou adviseren om een onderscheid te maken tussen cultuur in de brede zin (wat hij meer als comfortabel en identiteitsbevestigend ziet) en cultuur in de enge zin waarbij prikkelend en uitdagend op bestaande attitudes en zienswijzen wordt gereflecteerd.

Teruggaand naar het verleden, staat Van Maanen stil bij de afschaffing van koppelsubsidies en de invoering van het vierjarige kunstenplan van de Rijksoverheid in 1984. Instellingen voelden zich met deze ingreep beter beschermd, en waren dat ook, hoewel Van Maanen hierbij wel een schaduwkant ziet. Het kunstbeleid werd hiermee nog meer een kunstenaarsbeleid dan het voor 1984 al was, waarbij de organisatorische en artistieke binding met de bevolking verslechterde en steeds meer werd gericht op kenners, die een voorkeur hebben voor wat nieuw is omdat ze de rest al kennen. Door nu te richten op culturele stadsregio’s, zou deze tendens dus kunnen worden doorbroken.

Daarbij is het wel van belang om te zorgen dat het niet bij overheidsplannen blijft, of om het instandhouden van culturele instellingen, maar om het vastleggen van eisen waaraan werkzaamheden moeten voldoen en deze controleren. Van Maanen komt daarom met vier concrete voorstellen om valkuilen die hij voorziet in de nieuwe plannen – waarover hij overigens overwegend positief is – te omzeilen. De belangrijkste twee daarvan zijn wellicht het invoeren van regionale raden van cultuur in het hele land en om RIS-instellingen die aan een maatschappelijke én artistieke opdracht werken, ook dubbel te faciliteren en betalen.

Regie van het Rijk

Hiermee kwam het betoog van Hans van Maanen tot een einde en werd Pieter Bots gevraagd om hierop te reageren vanuit de Raad voor Cultuur. Na een dankwoord voor een ontvangen exemplaar van Kunst in de kop van de koopman en de gedeelde inzichten, benadrukt Bots dat de verkenning echt als een denkstuk gezien moet worden. Bij de totstandkoming zijn door de Raad gesprekken gevoerd met partijen verspreid door het hele land, waarmee een proces is gestart dat nog niet is voltooid. Het uitgangspunt voor het denken over een nieuw bestel komt voort uit verschillende constateringen. De eerste constatering was dat het aanbod niet het hele land bereikt. Vraag en aanbod moeten dus beter op elkaar worden afgestemd. Een tweede constatering was dat de kracht van de cultuursector vooral in de steden zit, omdat daar de meeste verbindingen zijn. Tenslotte blijkt de inrichting zoals deze nu is niet te voldoen; het verschil tussen de fondsen en de BIS is onduidelijk.

Bots concretiseert het geheel door te wijzen op theatergezelschappen als Oostpool in Arnhem en Toneelgroep Maastricht. Deze gezelschappen weten zeer goed de banden met de regio aan te halen. Van belang is het om daarbij een goede balans te vinden, aangezien deze gezelschappen ook (inter)nationaal kwalitatief aanbod hebben. Hoe hierbij de verdeling tussen de BIS en de RIS vorm moet krijgen is een vraag die de Raad nog niet kan beantwoorden, eerst moet worden gekeken hoe het geheel moet worden ingericht. Wel is duidelijk dat het aanbod vanuit de stedelijke regio’s veel beter kan aansluiten op de vraag omdat het gemakkelijker is verbinding te zoeken vanuit samenwerking. Dit wordt versterkt als de stedelijke regio een cultuurplan moet maken.

Daarbij wil Bots ook graag duidelijk maken dat dit plan niet bedoeld is als een vorm van decentralisatie waarbij problemen vanuit het Rijk over de schutting naar de regio’s worden geworpen. Het idee is dat het Rijk de regie zal blijven voeren. Terugkomend op de brede en enge opvatting van cultuur, kan Bots zich goed vinden in de termen comfortabele en prikkelende kunst. Het moet vooral worden voorkomen dat er over het geheel genomen vervlakking optreed binnen kunst en cultuur.

Spreiding en kwaliteit

Hans van Maanen krijgt hierna als eerste het woord bij het openen van de discussie. Hij benadrukt dat de term ‘kunst en cultuur’ feitelijk onzin is. Kunst is immers een onderdeel van cultuur, door het gebruik van de term ‘kunst en cultuur’ kan men zich te gemakkelijk verschuilen achter comfortabele cultuuruitingen.

In de discussie die volgt komt onder andere naar voren dat er een spanningsveld wordt gezien tussen het vraaggericht aanbod en de aandacht voor creatie, innovatie en experiment. Hier wordt tegenin gebracht dat dit geen tegenstelling hoeft te zijn, maar heel goed als mix kan bestaan. Bovendien is het vooral een politiek spanningsveld waarbij regionaal vaak als gemakkelijk wordt gezien.

Verder komt de vraag voorbij wat de Raad denkt te kunnen doen aan het feit dat makers vaak als freelancers, en dus tijdelijk, worden ingevlogen waardoor er weinig binding met de regio ontstaat. De spreiding en de duur van de speellijsten zijn hierdoor soms beperkt. Hierbij wordt opgemerkt dat dit niet alleen op de conto van de gezelschappen is, maar ook afhankelijk is van welke gezelschappen risico’s willen nemen. Het wordt dan ook als vreemd gezien dat in Nederland een systeem bestaat waarbij podia en gezelschappen niet aan elkaar zijn verbonden, zoals dit verder in vrijwel geheel Europa het geval is. Maar waarom zou een podium geen artistieke visie hebben? Als stedelijke regio’s een artistieke visie ontwikkelen zou dit hieraan kunnen bijdragen. Opgemerkt wordt dat deze visie niet mag verworden tot een te strak keurslijf.

Financiering

Uiteindelijk komt ook een wellicht onvermijdelijk punt voorbij: als dit meer moet worden dan een dossier, wie gaat deze stelselwijziging dan betalen? Transitiekosten zijn immers altijd erg hoog dus er wordt geopperd dat het goed zou zijn om zoveel mogelijk te werken vanuit wat al aanwezig is. Een aandere optie die wordt geopperd is om de overheid meer te ontschotten. Van het cultuurbeleid worden vaak zaken verlangd die ook onder de verantwoordelijkheid van andere ministeries en departementen vallen, zoals educatie en sociale cohesie. Haal dan ook een deel van het geld bij de andere ministeries vandaan.

Al met al bleek er nog voldoende stof tot nadenken over te blijven om op een later moment te bespreken. Ook tijdens de borrel bleken zorgen en hoop ten opzicht van een nieuw bestel te bestaan. Gelukkig zijn er in de reeks nog twee bijeenkomsten te gaan, waarbij op 20 februari Willem Wijgers als eerste aan bod komt om dieper in te gaan op de merites van een meer vraaggerichte aanpak in het culturele aanbod.

Tekst lezing Hans van Maanen:

Foto's: Nuran Bozkurt







Bekijk meer: Verslagen

Partners & subsidienten