Boekmanstichting Kenniscentrum voor kunst, cultuur en beleid

Verslag: Regionalisering door Johan Kolsteeg

Op woensdagmiddag 14 maart werd de lezingenreeks Regionalisering door Johan Kolsteeg afgesloten met iets dat juist nog in volle gang is: het onderzoek dat hij samen met Quirijn van den Hoogen momenteel uitvoert naar het inrichten van een betere plek voor regionale identiteit en ambities in het culturele bestel, aan de hand van de provincies Groningen, Drenthe en Friesland.

Voor dit onderzoek-in-progress hebben Kolsteeg en Van den Hoogen in het najaar van 2017 dertig semigestructureerde interviews afgenomen met politici, ambtenaren en cultureel leiders in de drie noordelijke provincies. Deze interviews zijn vervolgens op twee niveaus gecodeerd: op basis van wat gezegd werd over een aantal, van te voren bepaalde, thema’s, en op basis van de waarden die bleken uit de antwoorden van gesprekspartners.

In de nieuwste Boekman geven de onderzoekers alvast een sneak preview van de eerste resultaten (Van den Hoogen et al. 2018). Tijdens zijn lezing ging Kolsteeg hier nader op in aan de hand van drie thema’s: identiteit, kwaliteit en de relatie met de overheid.

Ruimte kenmerkt culturele identiteit
Met betrekking tot het thema identiteit noemden veel van de geïnterviewden de fysieke ruimte die er in het noorden volop is. Dit leidt volgens hen ook tot mentale ruimte, waarin veel plek is voor het artistieke experiment. Het maakt het culturele aanbod in Groningen, Drenthe en Friesland innovatief en tolerant ten opzichte van vernieuwing, maar daardoor misschien ook wat minder gepolijst dan in de Randstad.

Die vergelijking met de Randstad is illustratief, omdat de Randstad in de gesprekken vaak als referentiepunt genoemd werd. In dat verband kwam ook regelmatig de term ‘Calimero-complex’ ter sprake. Gedurende de middag nuanceerde Kolsteeg dit complex meerdere keren. Zo zit deze vorm van centrum-periferie-denken volgens hem voor het grootste deel tussen de oren: zelfs in Amsterdam – toch het centrum van het centrum – speelt dit tussen wijken onderling. Ook wordt er misschien wel een centrum-periferie-verhouding ervaren, maar op de vraag uit het publiek of culturele instellingen in de noordelijke provincies dan (meer) samen willen werken met de Randstad was zijn antwoord heel stellig: ‘Nee.’

Ongemak in de kwaliteitsdiscussie
Bij het tweede onderwerp, kwaliteit, ervoer Kolsteeg een ‘gevoeld ongemak’ bij zijn gesprekspartners. Bij de beoordeling van kwaliteit wordt namelijk nog al te vaak een eenzijdige en door de geïnterviewden als Randstedelijk ervaren nadruk gelegd op artistieke kwaliteit. Zelf zien zij het begrip kwaliteit breder. Hoewel zij het belang van artistieke kwaliteit erkennen en aangeven dat deze in de regio een impuls zou mogen krijgen, benadrukken ze ook de aansluiting op de regionale identiteit als onderdeel van de kwaliteitsdiscussie. Op dit moment speelt dit perspectief echter nog onvoldoende mee in de beoordeling van subsidies. Later op de middag werd dit verschil in visies op kwaliteit treffend verwoord met de uitspraak dat men in de provincie misschien moet ophouden voorstellingen te maken die het publiek in Amsterdam ook mooi vindt.

De rol van de overheid
Het laatste onderwerp dat Kolsteeg belichtte, betrof de relatie tussen cultureel leiders en de overheid. Weliswaar kennen deze twee partijen volgens hem gezamenlijke ambities (bijvoorbeeld over de emancipatie van de provincies in het culturele debat), maar er bleken op dit gebied ook interessante verschillen te zijn tussen de standpunten van cultureel leiders en die van politici, alsook tussen die van cultureel leiders onderling.

Zo gaf de wat oudere generatie cultureel leiders aan het inhoudelijke gesprek met de overheid te waarderen, terwijl die overheid voor de jongere generaties veel minder belangrijk is: het is slechts één van vele mogelijke partijen om mee samen te werken. Een dergelijke houding, waarbij steeds gezocht wordt naar mogelijke allianties, biedt flexibiliteit, maar in de discussie na afloop van Kolsteegs verhaal werd ook de duurzaamheid ervan betwist.

Beide generaties cultureel leiders geven over het algemeen wel eenzelfde antwoord op de vraag hoe het culturele stelsel eruit zou moeten zien: met een duidelijke rol voor een centrale overheid als bewaker van kwaliteit en het systeem, omdat lagere overheden sneller geneigd zijn kunst met een instrumentele in plaats van een artistieke blik te beoordelen. Hierin verschillen de cultureel leiders echter van politici, die op dit vlak veel minder uitgesproken zijn.

Discussie over de actualiteit
Op Kolsteegs verhaal volgde een levendige discussie met veel verschillende stemmen uit alle windstreken. Daarin ging het onder meer uitgebreid over spreidingsplicht voor culturele instellingen, die hen dwingt voorstellingen op meerdere verschillende locaties te spelen. Voor veel gezelschappen is dit een verplichting waar zij niet altijd op zitten te wachten, zo werd genoemd. Een tegenargument was dat 

de pijn eerder zit in het aantal verplichte speelbeurten, meer dan in de eis dat deze geografisch gespreid moeten zijn. Ook werd de financiële situatie als achterliggend probleem genoemd: subsidie-eisen omtrent eigen inkomsten maken een groot aantal voorstellingen noodzakelijk. Bovendien geldt de eis voor spreiding wel bij de fondsen, maar niet voor de BIS-gezelschappen.

Gediscussieerd werd tevens over een heel actueel onderwerp: de visiebrief die minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Ingrid van Engelshoven twee dagen voor Kolsteegs lezing publiceerde. Het regionale perspectief is daarin duidelijk aanwezig: ‘Aansluitend bij de Verkenning van de Raad voor Cultuur nodigt het kabinet de andere overheden uit om stedelijke en regionale profielen op te stellen. Zo kunnen we bij de samenstelling van de basisinfrastructuur, zoals de Raad voor Cultuur bepleit, sterker rekening (…) houden “met de samenstelling en de behoefte van de bevolking, met de identiteit en verhalen uit de regio, en met het lokale klimaat voor de makers en kunstenaars”’ (Van Engelshoven 2018, 23). De reacties uit de zaal op de brief van de minister waren positief, al werden de kritische noten geplaatst dat er in het verleden al eens weinig succesvol met cultuurprofielen gewerkt is, dat sommige sectoren uitgesloten lijken te worden in de brief, en dat daarin de praktische uitwerking van plannen soms nog wat vaag blijft.

De toekomst
Het onderzoek van Kolsteeg en Van den Hoogen loopt nog vier jaar. De eerste resultaten hopen de onderzoekers later dit jaar te publiceren, en ook is hun plan om op termijn een monitor online te plaatsen waarmee provincies permanent over cultuurbeleid bevraagd kunnen worden.

Ook de bibliotheek van de Boekmanstichting kijkt vooruit. Met de lezing van Kolsteeg kwam weliswaar een einde aan de lezingenreeks over regionalisering, maar een nieuwe reeks over het thema inclusiviteit – dat ook centraal zal staan in Boekman 115 – is al in de maak. De data en sprekers daarvan worden binnenkort gepubliceerd via de website en social media van de Boekmanstichting.

Literatuur

  • Engelshoven, Ingrid van (2018) Cultuur in een open samenleving. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
  • Hoogen, Quirijn van den en Johan Kolsteeg (2018) ‘Naar een regionaal kunstbeleid’. In: Boekman 114, jrg. 30, nr. 1, 44-47.

Foto's: Nuran Bozkurt 








Bekijk meer: Verslagen

Partners & subsidienten